Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgelegd: is het afmaken van het vee in geval van mond- en klauwzeer aanbevelenswaardig, ook van verdacht vee, i. in imperatieven zin f 2.infacultatievenzin?

Imperatief voorschrijven van afmaken, in navolging van hetgeen b.v. ten opzichte van de veepest, de longziekte en den kwaden droes bij het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104 is geschied, ontraadt de Staatscommissie eenstemmig.

Daarentegen aanvaardt de Staatscommissie het afmaken in facultatieven zin en wordt de evengenoemde vraag wat betreft punt 1 dus ontkennend, wat betreft punt 2 dus bevestigend beantwoord.

Afmaken op zich zelf is echter niet een bestrijdingssysteem, het moet gepaard gaan met afsluitingsmaatregelen, immers zonder deze laatste is de verspreiding van de smetstof van een erf, alwaar afmaking geschiedt, niet te keeren.

De Staatscommissie is verder van oordeel, dat het afmaken in dien zin algemeen moet zijn, dat b.v. ook aangetaste beslagen van stamboekvee eventueel niet mogen worden gespaard.

De hoofdvraag is intusschen, hoelang moet het afmaken worden voortgezet, indien de ziekte niet spoedig bedwongen blijkt te worden.

Tweeërlei oplossing is hierbij te onderscheiden:

1. beperking van het afmaken tot de allereerste gevallen.

2. afmaken, zoolang er redelijke kans bestaat de ziekte daardoor te bedwingen en de bij uitbreiding van de ziekte te verwachten nadeelen, de kosten aan het afmaken verbonden, rechtvaardigen.

Bij de eerste oplossing zal men in bedrijven, alwaar de dieren in meerdere stallen zijn ondergebracht, voor zooveel mogelijk alleen afmaken het vee, dat zich bevindt in den stal, waarin de ziekte uitbrak, terwijl men de overige stallen en b.v. ook de van het overige vee gescheiden zijnde schapen en varkens door strenge isolatie zal trachten te sparen. Ter voorkoming dat smetstofdragers overblijven, indien aangetaste dieren niet worden afgemaakt, zullen hierbij dan ook die dieren moeten worden afgemaakt, van welke redelijkerwijze is te duchten, dat zij na afloop der ziekte als kortdurende of chronische smetstofdragers zullen overblijven. Onder deze categorie vallen dan dieren, die na genezing bepaalde verschijnselen vertoonen van kreupelheid, defecten aan de klauwen, ulcera aan de tepels of digestie-stoornissen, welke op laesies in maag of darmen wijzen. Seruminspuiting ter beperking van de sterfte zal dan ook aanbeveling verdienen.

Deze oplossing zal intusschen veelal niet tot afdoende resultaten blijken te leiden; uitbreiding der ziekte zal dikwijls niet kunnen worden voorkomen en het gevaar is groot, dat wanneer de mislukking aan het licht komt, de epizoötie te zeer verspreid is om nog door verdere voortzetting der afmaking met kans op welslagen beteugeld te kunnen worden.

Sluiten