Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§4 DE IN DE TOEKOMST TE VOLGEN BESTRIJDING DER ZIEKTE NA HAAR OPTREDEN IN NEDERLAND.

Nadat in het bovenstaande in groote lijnen is aangegeven, in welke richting de bestrijding van het mond- en klauwzeer moet gaan, zal thans het naar het oordeel der Staatscommissie voor de toekomst te volgen bestrijdingsstelsel in bijzonderheden zijn te ontleden en aan te geven.

Achtereenvolgens zal dus worden besproken aan welke eischen de afmaking zelve en de daarmede samengaande isolatie moeten voldoen en voorts welke nevenmaatregelen noodzakelijk zijn. Terwijl de boven geleverde kritische beschouwing van de verschillende bestrijdingssystemen los stond van de wettelijke regeling' zal in de nu te geven schets aan de wetgeving, zooals deze is en eventueel aanvulling en wijziging behoeft, wederom aandacht worden gewijd.

De taak van de overheid en van belanghebbenden bij het te ontwikkelen bestrijdingssysteem zal in dit verband niet geheel onaangeroerd kunnen blijven; het scheen echter overzichtelijker dit laatste punt in zijn ganschen omvang afzon" derlijk te bespreken, waartoe § 5 aan dit hoofdstuk is toegevoegd.

Het bestrijdingsstelsel laat zich in verschillende maatrëgelen verdeelen, ten opzichte waarvan twee hoofdrubrieken zijn te onderscheiden, welke hoofdrubrieken dan weer zijn te splitsen als hieronder wordt aangegeven:

I. Maatregelen, welke ook zullen gelden buiten het dreigen, optreden of heerschen van het mond- en klauwzeer.

a. maatregelen ten behoeve van de opsporing der ziekte.

b. andere maatregelen.

II. Maatregelen, welke zullen of kunnen gelden na het optreden der ziekte.

a. hoofdmaatregelen

b. nevenmaatregelen

van bestrijding.

I. Maatregelen, welke ook zullen gelden buiten het dreigen optreden of heerschen der ziekte.

a. Maatregelen ten behoeve van de opsporing der ziekte. Onder deze categorie valt allereerst de aangifte.

De verplichting, om zoodra vee verschijnselen van besmettelijke ziekte vertoont, daarvan aangifte aan den burgemeester der betrokken gemeente te doen, rust volgens de Veewet 1870 (art. 13) op den houder of hoeder, doch is bij de Veewet 1920 (art. 17) zeer terecht ook tot den eigenaar uitgestrekt. Zelfs verdient

Aangifte en stal- en veidc-inspectie.

Sluiten