Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het overweging, of de verplichting nog tot een grootere categorie ware uit te breiden, in navolging van Zwitserland. (Zie bijlage II). De aangifte is de hoeksteen van elk bestrijdingsstelsel, doch bij een stelsel, waarin afmaken of isolatie de hoofdrol speelt, is onmiddellijke en volledige aangifte wel een volstrekt onmisbaar element en een der voornaamste voorwaarden voor het welslagen van de bestrijding. Hiervan moeten de veehouders in hun eigen belang wel zeer grondig worden doordrongen.

Het groote nationaal belang, hetwelk bij eene stipte en onverwijlde aangifte betrokken is, stempelt niet-vervulling van deze verplichting tot een hoogst ernstig vergrijp tegen de gemeenschap. De vraag moet dan ook worden gesteld, of de sanctie, welke zoowel de Veewet 1870 als de Veewet 1920 op verzuim van aangifte stellen, aan de beteekenis van deze nalatigheid wel evenwaardig is. Daarbij heeft zelfs de sanctie onder de Veewet 1920 nog aan kracht verloren, doordat in die wet niet is overgenomen de bepaling van art. 27 der Veewet 1870, die aanspraak op schadevergoeding bij afmaken in geval van niet-aangifte doet te loor gaan. Verzuim van aangifte kan dus voor den nalatige voortaan alleen strafrechtelijke gevolgen hebben. Weliswaar bedreigt de Veewet 1920 niet-aangifte met zwaardere straf (n.1. hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste ƒ 500.—) dan de Veewet 1870 (die slechts oplegging van geldboete tot ten hoogste ƒ75.— veroorloofde), maar toch mag worden aangenomen dat de groote belangen, die, op het spel staan, als de ziekte, zich ergens voor 't eerst openbaart* het zouden rechtvaardigen nog verder te gaan, door nl. het verzuim van aangift'etot misdrijf te stempelen, waarvoor niet alleen een der evengenoemde straffen, doch zelfs gevangenisstraf kan worden opgelegd.*) Het delict zoude dan niet meer door den Kantonrechter, doch door de Rechtbank moeten worden berecht. Het gewicht van het vergrijp wordt daardoor zeer terecht onderstreept. Wat de straftoemeting betreft, het is de bedoeling der Staatscommissie, dat alsdan speciaal bij den aanvang eener nieuwe ziekteperiode oplegging van gevangenisstraf ernstig worde overwogen. Daarbij moet ook met klem worden gewezen op de noodzakelijkheid van zeer spoedige berechting. In een geval als dit moet de straf het delict op den voet volgen, wil de poenale sanctie in de bestrijding van het mond- en klauwzeer eenige beteekenis hebben. Bestraffing eerst weken of maanden na het begaan van het strafbaar feit, wanneer het aspect van de ziekte geheel is veranderd, mist haar doel volkomen. Zij zal eenerzijds den rechter tot mindere gestrengheid verleiden, anderzijds op den betrokkene en het publiek geringeren indruk maken.

Tenslotte zij hier vermeld, dat een geschikt middel om de aangifte te bevorderen in stal- en weide-inspectie gelegen is. Deze inspectie worde derhalve door het veeartsenijkundig staatstoezicht zooveel mogelijk gehouden.

*) Het lid der Staatscommissie de heer L. F. Duymaer van Twist kan zich met deze zienswijze niet vereenigen.

Sluiten