Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I t

1

] I

Pasteurisatie.

ichriften de hand wordt gelicht, indien het handelsbelang daartoe dringt, als bij gelegenheid van een druk bezochte veemarkt onvoldoende materiaal voor vervoer er beschikking staat. Naar het oordeel der Staatscommissie is de geregelde naeving der ontsmettingsvoorschriften echter van buitengewoon nut en behooren ;oor het daarmede gediend belang alle andere belangen te wijken. Alleen indien iit in het oog wordt gehouden zal het voormelde Koninklijk besluit tot zijn •echt kunnen komen en met de daarbij getroffen regeling genoegen kunnen worden genomen. Echter is verzuimd, de regeling ook tot veewagens van particulieren ;n vereenigingen, waarmede vee voor de markt bestemd, is vervoerd, uit te strekken.

Ook art. 6 der veewet 1920, welke bepaling eveneens eene regeling voorvoorschrijft te dezer zake, beperkt zich tot de openbare middelen van vervoer. De Staatscommissie acht dit onjuist. Wel zoude de ontsmetting van veewagens, van particulieren en vereenigingen, indien deze vervoermiddelen op de markt zelve komen, krachtens het hierboven reeds besproken art. 5 van de wet bij gemeentelijke verordening kunnen worden geregeld, doch vooreerst is het niet zeker, dat dit zal geschieden en dan blijft de ontsmetting van dergelijke vervoermiddelen, die de markt zelve niet bereiken doch desniettemin zonder twijfel eveneens voor ontsmetting in aanmerking komen, ongeregeld. Laatstbedoelde vervoermiddelen vallen n.1. noch onder art. 5 noch onder art. 6 van de wet. Voorschriften te hunnen opzichte zouden dus op art. 32 lid 1 moeten steunen, doch het moet dan beter worden geacht bedoelde vervoermiddelen alsnog in art. 6 der wet op te nemen. Alle misverstand is dan uitgesloten en in ieder geval is dan eene regeling verzekerd.

In de tweede plaats is hier te behandelen de pasteurisatie van de afgeroomde melk, karnemelk en wei.

Het is bekend, dat bij Koninklijk besluit van 16 December 1915 S. 510 de pasteurisatie van afgeroomde melk, karnemelk en wei gebiedend is voorgeschreven en dit speciaal met 't oog op het mond- en klauwzeer is geschied.

Bij Koninklijk besluit van 6 April 1921 S. 669 is het pasteurisatiegebod voor wei inmiddels opgeheven.

Bij de Staatscommissie is de vraag gerezen, of althans van wei en karnemelk niet moet worden aangenomen, dat daarin de smetstof van het mond- en klauwzeer wordt gedood, zoomede of zou kunnen worden vastgesteld, hoe lang de smetstof in de ondermelk levensvatbaar blijft.

Opzettelijke proeven zijn deswege door het Lid der Staatscommissie Dr. J. POELS genomen. Het daaromtrent door dezen uitgebracht rapport is als bijlage IV aan dit verslag toegevoegd.

De genomen proeven leiden tot de conclusie, dat het met het oog op

Sluiten