Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onschadelijkmaking na afmaken.

Het is een leemte, dat thans afmaking van evengenoemde dieren bij art. 35 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104 niet op grond van art. 42 lid 2 der veewet 1870 is toegestaan. Ook de veewet 1920 voorziet dit punt niet, tenzij bedoelde dieren onder > besmette voorwerpen* in art. 20g dier wet zijn te rekenen, hetgeen echter niet aan te nemen is.

Reeds op blz. 80 is te kennen gegeven, dat de afmaking volgens het stelsel der Staatscommissie eventueel ook stamboekvee moet omvatten.

Intusschen moet worden opgemerkt, dat er zich gevallen kunnen voordoen, dat op een erf of in een bedrijf, alwaar moet worden afgemaakt, dieren gespaard zouden kunnen worden, ofschoon zij wel verdacht moeten worden verklaard, teneinde de overige maatregelen te hunnen opzichte te kunnen toepassen. In dit geval moet de districtsveearts bevoegd zijn die verdachte dieren niet af te maken. Aan hem worde dus de aanwijzing der verdachte dieren, welke niet afgemaakt zullen worden, door den Minister overgelaten.

Ingevolge art. 30 der Veewet 1920 zullen o.m. omtrent het onschadelijk maken van ziek en verdacht vee, dat is afgemaakt, bij algemeenen maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven.

Reeds thans worden dergelijke voorschriften aangetroffen in art. 35, lid 2 en 3 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 (S. 104), luidende:

>De huiden en hoornen der afgemaakte zieke of verdachte dieren moeten »worden ontsmet. De borst- en buikingewanden, de hoeven en klauwen en, wanneer »dit door den districtsveearts noodig wordt geacht, ook de koppen der afgemaakte »zieke of van ziekte verdachte dieren moeten worden verbrand of begraven.

»Waar het ter bestrijding der ziekte door den districtsveearts noodig wordt »geacht moeten de afgemaakte zieke of verdachte dieren in hun geheel worden »verbrand of begraven.*

Hierbij moet worden opgemerkt dat bij de bestrijding der laatste epizoötiën over het algemeen de zieke dieren in hun geheel begraven, de verdachte dieren geslacht en voor de consumptie bestemd werden. De slachting geschiedde dan hetzij op de boerderij, hetzij op een abattoir na voorafgaand vervoer daarheen met machtiging van den burgemeester ingevolge art. 21 lid 2 der wet.

Na ampele overweging is de meerderheid der Staatscommissie tot de conclusie gekomen, dat deze praktijk, die o.a. ook in Engeland wordt gevolgd, ware te handhaven. Er zijn echter omstandigheden denkbaar, waarin slachting en in consumptie brenging van verdacht vee gevaarlijk kan zijn; algemeene aanwijzingen hieromtrent zijn bij voorbaat niet te geven; de oogenblikkelijke plaatselijke omstandigheden moeten bij de beoordeeling of van den regel moet worden afgeweken, den doorslag geven.

Sluiten