Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- Waar de beslissing niet wel van uit een centraal punt kan Worden gegeven, moet de bevoegdheid tot het bij uitzondering vernietigen van voor afmaken aangewezen verdacht vee, naar het oordeel der Staatscommissie aan den districtsveearts worden verleend.^,

Bij die dfrhalve als regel toe te stane slachting van verdacht vee, worde met de meeste ^iptheid in acht genomen, dat de plaats der slachting zuiver :üi geïsoleerd, dat het slachten geschiede door daartoe bijzonder aangewezen personeel^ dat de zooeven geciteerde bepaling van art. 35 lid 2 van het Koninklijk besluit van 1896 worde toegepast, echter met deze uitbreiding, dat de uiers met hun huiden speenen worden behandeld als de borst- en buikingewanden, dat er eene ontsmettings_ inrichting op het terrein aanwezig zij en alle betrokken personen worden ontsmet, alsmede dat het vleesch niet publiek worde verkocht, doch zooveel mogelijk in zijn geheel naar een groote stad of ter verwerking naar een fabriek worde vervoerd.

Bij dit vervoer moet natuurlij]£jtt««lerom de grootste voorzichtigheid worden betracht, ten einde smetstofverspreiding te ontwijken. In dit verband moge de Staatscommissie wel in 't bijzonder wijzen op de voorzorgsmaatregelen, die blijkens bijlage II van dit rapport te dezer zake in Zwitserland worden toegepast.

Eene minderheid der Staatscommissie, bestaande uit de Heeren Mr. Dr. C. P. Zaaijer, Prof. J. J. Wester, Prof. Dr. H. Remmelts, Prof. Dr. J. Poels en J. A. Klauwers, is van gevoelen, dat hoewel gebruik van vleesch van verdachte dieren voor de volksgezondheid niet schadelijk is en dus uit dat oogpunt het onttrekken van dit vleesch aan de consumptie oeconomisch een nadeel is, toch het doel, hetwelk bij afmaken wordt nagestreefd, te weten de verspreiding van de smetstof op de meest afdoende en volledige wijze te keeren en wel door den besmettingshaard te vernietigen, zwaarder moet wegen. Zij acht het daarom wenschelijk ook verdachte dieren als regel niet voor slachting in aanmerking te doen komen, doch deze af te maken en te vernietigen. Aan den districtsveearts zoude h. i. echter de bevoegdheid zijn te geven, bij uitzondering, als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, slachting onder de voorzorgen hierboven genoemd toe te staan.

Het afmaken, evenals het slachten van verdacht vee geschiede bij voorkeur 1 op het betrokken erf zelf, zulks ten einde vervoer van de voor overbrenging van c besmetting gevaarlijke dieren te vermijden. Moet dit vervoer echter plaats hebben, dan worde daarvoor de kortste en snelste weg gekozen *) en moeten de strengste

Wijze van slachten en ïventueel vervoer.

ifmaken bij voorkeur op e boerderij zelf.

*) Indien het vervoer door meerdere gemeenten moet geschieden is eene vervoervergunning noodig van den burgemeester van elke betrokken gemeente (art. 21 lid 2 Veewet 1870 en art. 35 lid 2 Veewet 1920). Dit kan moeilijkheden geven, ter vermijding waarvan voor een dergelijk geval toepassing van art. 36 der Veewet 1920 (bevel van den Minister voor zoodanig vervoer) aanbeveling verdient.

Sluiten