Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefenen toezicht, dat de waarde van de door de cadaververwerking te verkrijgen producten daar niet tegen opweegt. Afgezien hiervan zou het veelal uitermate bezwaarlijk blijken in tijden van eene krachtdadige bestrijding, waarin aan goed personeel dringend behoefte bestaat, voor het toezicht op het vervoer personeel te onttrekken aan werkzaamheden, die voor de daadwerkelijke bestrijding veel -nuttiger zijn. Alleen wanneer een van Rijkswege goed georganiseerde dienst werd ingesteld met het doel alle cadavers in Rijksinrichtingen te verwerken, zoude het daarom naar de meening der Staatscommissie in beginsel overweging kunnen verdienen ook ter zake van mond- en klauwzeercadavers van die inrichtingen, gebruik te maken. Ook dan is echter nog groote voorzichtigheid geboden. De ervaring in den zomer van 1920 daarmede in Belgiƫ opgedaan kan tot leering dienen. Aan runderpest gestorven dieren zijn aldaar in Juli en Augustus 1920 in grooten getale ter verwerking naar de z.g. vilbeluiken vervoerd en hebben het hunne bijgedragen tot verspreiding van de runderpest. Zelfs bij behoorlijk toezicht blijft dan ook aan vervoer van cadavers een kwade kans verbonden en die kwade kans moet in tijden, dat eene bestrijding ernstig en krachtig wordt gevoerd, worden vermeden.

De Staatscommissie meent dan ook, dat tijdens toepassing van het afmaakstelsel vervoer van mond- en klauwzeer-cadavers naar eene verwerkingsinrichting alleen dan ware toe te laten, indien de vernietiging door begraving of verbranding op de boerderij zelve niet mogelijk is en dus toch vervoer moet plaats hebben.

Zoowel art. 31 der veewet 1870 als art. 32 der veewet 1920 dragen de regeling der ontsmetting in geval van besmettelijke veeziekte aan een algemeenen maatregel van bestuur op.

Het in verband met eerstbedoelde bepaling bij Koninklijk besluit van 9 Juni 1885 S. 125 vastgesteld ontsmettingsregulatief is in verschillende opzichten verouderd, doordat de daarin opgenomen bepalingen met de tegenwoordige denkbeelden inzake ontsmetting geene rekening houden. Eene herziening van dit regulatief zal derhalve noodig zijn. De Staatscommissie acht het niet op haren weg te liggen daaromtrent in bijzonderheden te treden. Overigens zij verwezen naar hetgeen hieronder bij de behandeling van de isolatie over de ontsmetting zal worden opgemerkt.

Isolatie.

Afmaken zonder gelijktijdige toepassing van isolatie is onuitvoerbaar en kan nimmer tot succes leiden. Isolatie kan als bestrijdingsmaatregel in geen enkel geval worden gemist en in verband daarmede acht de Staatscommissie het onjuist, dat de veewet 1920 in tegenstelling tot hare voorgangster de isolatie bij de op-

Ontsmetting.

Noodzakelijkheid de isolatie in de veewet als maatregel van bestrijding op te nemen.

Sluiten