Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Object der isolatie. Tijdstip der isolatie.

somming in art. 20 van de maatregelen van bestrijding niet meer uitdrukkelijk noemt. Het ter vervanging daarvan vermelde »door het plaatsen van kenteekenen »besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen* kan niet als voldoende aequivalent van de isolatie gelden. Het is reeds in beginsel onjuist het voortbestaan van een maatregel afhankelijk te doen zijn van een kenteeken, omdat dan moedwillige of toevallige verwijdering den maatregel feitelijk niet meer van kracht doet zijn. Bovendien is het eigenaardig, dat art. 20 der veewet 1920 nevens het plaatsen van »kenteekenen* ook nog als maatregel van bestrijding noemt het plaatsen van »waarschuwingsborden.* Ook ondanks de toelichting, welke te dezer zake in de memorie van antwoord (art. 23) is te vinden, blijft het onduidelijk, waarin het onderscheid tusschen beide bestaat (de veewet 1870 spreekt alleen van »kenteekenen« — art. 17 — evenals art. 2 sub 30. van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104), zoodat ook hiervan verwarring is te duchten.

De Staatscommissie acht het dus wenschelijk, dat in art. 20 der veewet 1920 onder schrapping van het bepaalde sub d, de isolatie als maatregel van bestrijding wordt opgenomen.

Art. 29 lid 1 der veewet 1870 bepaalt: »Wanneer dit door den districts»veearts noodig wordt geoordeeld, worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig »met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire magt kan inroepen, afgesloten.*

De isolatie moet blijkens deze bepaling beperkt blijven tot >besmette hoeven of weiden en naast aangelegen landerijen of erven.* Het behoeft echter geen betoog, dat op die wijze het gevaar voor verdere verspreiding der ziekte geenszins in alle gevallen afdoende zal worden gekeerd. Men kan nu alleen door afsluiting treffen de plaatsen, alwaar de besmetting te bewijzen is, de ziekte dus is uitgebroken. Van besmetting verdachte plaatsen vallen niet onder art. 29 lid 1 der wet en men denke daarbij niet alleen aan boerderijen c. a., doch ook aan plaatsen waarheen de smetstof overgebracht kan zijn, ook al is er geen vee, zooals b.v. opslagruimten van veevoederhandelaren.

In verband met het bovenstaande acht de Staatscommissie het gewenscht eene ruimere en verder strekkende toepassing van de isolatie mogelijk te maken. Dit oogmerk zoude h. i. worden bereikt, indien de wet niet alleen >besmette hoeven of weiden« doch ook de »van besmetting verdachte onroerende goederen, zoowel gebouwde als ongebouwde* voor isolatie vatbaar verklaart.

Een ander punt, hetwelk in dit verband de aandacht verdient, is het tijdstip waarop de isolatie moet worden toegepast.

Het komt thans reeds in de praktijk voor, dat burgemeesters zonder het

Sluiten