Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vervoerverbod. (Kringen).

eener besmettelijke ziekte vertoont, is in art. 14 der veewet 1870 aan den eigenaar, houder of hoeder opgelegd, onafhankelijk van en in afwachting van andere te nemen bestrijdingsmaatregelen. Dit beginsel acht de Staatscommissie zeer juist en zij betreurt daarom, dat de veewet 1920 volstaat met in art. 20 sub a het afzonderen van ziek en verdacht vee onder de eventueel krachtens art. 19 te nemen maatregelen van bestrijding te roemen, zonder bedoelden maatregel imperatief onafhankelijk van de verdere bestrijding voor te schrijven. Het ware gewenscht te dezer zake het stelsel van de veewet 1870 te herstellen.

Art. 15 der veewet 1870 laat toe »bij het bestaan binnen- of buitenslands eener besmettelijke veeziekte« het vervoer o.m. van vee in het binnenland te beperken, tengevolge waarvan bij art. 40, 4°bis en 43 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104 voorschriften omtrent kringen, waaruit, waarnaar of waarbinnen veevervoer verboden is, zijn gegeven.

Met deze voorschriften kan het verplaatsen van vee naar het oordeel der Staatscommissie voldoende worden geweerd, mits de handhaving stiptelijk geschiedt. Het trekken van kringen als evenbedoeld zal als regel ter ondersteuning van de isolatie ook zeer gewenscht zijn. Behoeft bij uitzondering geen kring te worden getroffen, dan worde in ieder geval aan art. 21 der veewet 1870 (art. 35 veewet 1920), op grond waarvan vervoer van ziek of verdacht vee verboden is, toepassing gegeven, waartoe het betrokken vee verdacht zal zijn te verklaren. Het verdient intusschen aanbeveling op het voetspoor van het Zwitsersche voorbeeld marskramerij en bedelarij, ook niet-openbare, binnen de kringen onvoorwaardelijk te verbieden, zulks met't oog op het besmettingsgevaar hetwelk van hoeve tot hoeve rondtrekkende marskramers en bedelaars in niet geringe mate opleveren. Ook bezoeken van stallen, zoomede het betreden van erven of weiden door hen, die geen schriftelijke toestemming van den eigenaar of het betrokken gezag hebben verkregen, ware in besmette kringen te weren.

Art. 38 der veewet 1920, hetwelk op de binnenlandsche vervoerverboden betrekking heeft, richt zich echter evenmin als art. 25 der veewet 1870 tegen

personenverkeer, zoodat de wet te dezen opzichte aanvulling behoeft.

Art. 15 der veewet 1870 reserveerde uitdrukkelijk aan de provinciale en

gemeentebesturen de bevoegdheid zelfstandig, mits onder inachtneming van de

wettelijke regeling, verbodsbepalingen ter zake van vervoer in het leven te roepen;

het is te betreuren, dat deze bevoegdheid in art. 38 der veewet 1920 niet vermeld

wordt en dus uitgeschakeld is.

Tot dusver geldt geen vervoerverbod van melk, afgeroomde melk, karnemelk

en wei binnen kringen. Het ware echter gewenscht, dat zoodra van een ziektegeval

op een boerderij aangifte is gedaan, vervoer van bedoelde producten van die

boerderij terstond automatisch verboden zij.

Sluiten