Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 5. DE OVERHEIDSBEMOEIING EN DE MEDEWERKING DER BELANGHEBBENDEN BIJ DE BESTRIJDING VAN HET MOND- EN KLAUWZEER.

]

' $

De leiding van de overheid bij de bestrijding.

In Hoofdstuk III is reeds betoogd, dat de bestrijding van het mond- en dauwzeer moet staan in het teeken van samenwerking tusschen overheid en selanghebbenden, beiden moeten actief deelnemen aan de bestrijding, de leiding moet echter bij de overheid blijven berusten.

Hoe is de leiding van de overheid bij de bestrijding te organiseeren ?

In dit verband is allereerst de totstandkoming van de veewet 1920 van belang.

De memorie van toelichting stelt voorop, dat in het bijzonder bij de bestrijding van het mond- en klauwzeer de onvoldoende organisatie van den veeartsenijkundigen dienst door de ervaring aan het licht is gebracht.

>Wel is«, zoo leest men t. a. p. «bij Ministerieele beschikking van 14 October «1912 meer eenheid in den veeartsenijkundigen dienst gebracht door de regeling >van de verhouding tusschen den inspecteur en de districtsveeartsen, doch de «werking dezer beschikking is begrensd door de voorschriften der wet van 1870. «Tusschen de bestrijding der besmettelijke veeziekten in de verschillende districten «moet meer samenwerking worden gebracht, teneinde bij het optreden eener «ziekte reeds in den aanvang doeltreffend te kunnen optreden.»

Met de veewet 1920 werd daarom beoogd concentratie van den veeartsenijkundigen dienst, bevordering eener meer economische arbeidsverdeeling, waarbij toezicht en uitvoering zouden samengaan.

Dienovereenkomstig bevatte het oorspronkelijk wetsontwerp in de artikelen 2 tot en met 5 bepalingen, waarin de inrichting van den veeartsenijkundigen dienst werd vastgelegd en wel als volgt: het veeartsenijkundig staatstoezicht wordt onder de bevelen van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel uitgeoefend door de ambtenaren van den veeartsenijkundigen dienst, de leiding van dien dienst is, onder het toezicht van den Directeur-Generaal van den Landbouw, opgedragen aan een veeartsenijkundigen inspecteur, voor de uitoefening van het veeartsenijkundig staatstoezicht wordt het Rijk verder verdeeld in districten, in elk waarvan wordt opgetreden door een districtsveearts, rijksveeartsen en opzichters.

Deze organisatie is evenwel bij de Memorie van Antwoord weder uit het wetsontwerp gelicht en de veewet 1920 draagt dientengevolge in art. 2 de wijze

Sluiten