Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestrijding stelt dit tot eisch, - dan is het noodzakelijk, dat hij onttrokken wordt aan het toezicht van den Directeur-Generaal van den Landbouw en rechtstreeks onder de bevelen van den Minister de leiding der bestrijding voert.

De Staatscommissie ontveinst zich niet, dat de inachtneming van dit beginsel mede zal brengen, dat het geheele veeartsenijkundig staatstoezicht los van de Directie van den Landbouw moet worden gemaakt. Immers met zelfstandigheid in de bestrijding van het mond- en klauwzeer is niet vereenigbaar ondergeschiktheid aan den Directeur-Generaal van den Landbouw in de andere werkzaamheden, welke den centralen leider als hoofdambtenaar bij het veeartsenijkundig staatstoezicht opgedragen zullen moeten blijven of worden.

Een overwegend bezwaar tegen de onttrekUng van den veeartsenijkundigen dienst aan de Directie van den Landbouw acht de Staatscommissie echter niet aanwezig. Immers het aantal te bestrijden veeziekten neemt toe en met •t oog daarop mag worden verwacht, dat de taak van den veeartsenijkundigen dienst allengs nog uitbreiding zal ondergaan. Bovendien is er bij de tot standkoming van de veewet 1920 terecht ook zeer de nadruk op gelegd, dat de veeartsenijkundige dienst niet bijna uitsluitend een politiedienst moet zijn, maar vooral ook opvoedend moet werken en daarom ook buiten het heerschen van veeziekten zijn streven op het voorkomen van ziekten en het opwekken en leeren medewerken van de veehouders bij de bestrijding van besmettelijke veeziekten

gericht moet zijn.*)

Eene minderheid der Staatscommissie bestaande uit de Heeren Mr. Dr. C. P. Zaaijer, Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, L. F. Düymaer van Twist en Prof J. J. wester kan zich niet vereenigen met het denkbeeld, den veeartsenijkundigen dienst los te schakelen van de Directie van den Landbouw. Zij acht het raadzaam alle landbouwbelangen onder ééne Directie te huisvesten en meent, dat de veeartsenijkundige dienst onder dit dak niet mag ontbreken. Deze minderheid is van oordeel, dat de verhouding tusschen den Minister en den Directeur-Generaal van den Landbouw aldus moet worden geregeld, dat bij het uitbreken eener besmettelijke veeziekte de Minister diens leidende beginselen aan den DirecteurGeneraal mededeelt, doch aan dezen overlaat om in zijn naam en als zijn vertegenwoordiger het verder toezicht op de bestrijding der ziekte te voeren. De Directeur-Generaal zoude aldus als handelend vertegenwoordiger van den Minister de eenige chef zijn, met wien de leider der bestrijding zoude hebben te raadplegen en zich zou moeten verstaan.

De meerderheid der Staatscommissie is niet van oordeel, dat op evenbe-

.) De Staatscommissie meent, dat de opvoedende werkzaamheid van den veeartsenijkundigen dienst vooral ook buiten het heerschen van veeziekten nuttig zal zijn en daarom ontwikkeld moet worden.

Sluiten