Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De districtshoofden.

De verhouding district hoofd en burgemeester

ook bevoegd zijn op eigen initiatief den Minister adviezen te verstrekken. Ten behoeve van de uitoefening van haar taak zal zij tijdens eene periode van bestrijding, door den veeartsenijkundigen dienst van den dagelijkschen gang van zaken op de hoogte moeten worden gehouden en ook desgewenscht door persoonlijk onderzoek zich daaromtrent inlichtingen moeten kunnen verschaffen.

De Staatscommissie verwacht, dat de instelling van eene Commissie als evenbedoeld het vertrouwen in de overheidsmaatregelen zal versterken en de veehouders gemakkelijker tot medewerking aan de bestrijding zal bewegen.

De taak van de districtshoofden (thans de districtsveeartsen) blijft ook bij eene organisatie van de overheidsbemoeiing overeenkomstig de voorstellen hierboven gedaan, eene hoogst belangrijke en verantwoordelijke en het welslagen der bestrijding zal ook in het door de Staatscommissie gewenschte bestrijdingssysteem voor een gewichtig deel in handen van de districtshoofden berusten.

Zij zijn het immers, die den Burgemeester over de te nemen maatregelen adviseeren en met het onder hen geplaatst personeel die maatregelen hebben toe te passen, op de handhaving moeten toezien en den centralen leider omtrent den toestand geregeld volledig voorlichting moeten verstrekken.

Het beginsel van gecentraliseerde bestrijding eischt, dat hun in de keuze der bestrijdingsmiddelen van hoogerhand een richtsnoer moet worden gegeven. Zooals reeds eerder werd opgemerkt, mag art. 19, ƒ». art. 20 der veewet 1920 niet de aanleiding worden, dat de districtshoofden eigenmachtig voor zichzelf uitmaken, op welke wijze in hun district de bestrijding zal worden gevoerd. De wet zoude bij een dergelijke toepassing van gemelde bepalingen de door haar zelve gewenschte concentratie in de bestrijding trouwens verijdelen.

De krachtens art. 2 laatste lid der veewet 1920 ook voor de districtshoofden bij Koninklijk besluit te geven instructie worde dan ook zoodanig ingericht, dat de districtshoofden ter zake van de beginselen, waarnaar de bestrijding van het mond- en klauwzeer zal worden gevoerd en ter zake van de wijze van toepassing der verschillende maatregelen, met inachtneming overigens van de daaromtrent bij algemeenen maatregel van bestuur te geven voorschriften, de bevelen van den centralen leider zullen hebben te volgen. Deze centrale leider zal bij het geven van die bevelen de beslissingen hebben in acht te nemen, die de Minister, na ingewonnen advies of op voorstel van de Commissie van Bijstand, zal nemen.

De veewet 1920 handhaaft terecht het beginsel van hare voorgangster, ■ dat de burgemeester het orgaan is, hetwelk feitelijk de bestrijdingsmaatregelen neemt. Ook volgens de veewet 1920 beslist de burgemeester echter op verplicht

Sluiten