Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deerde bedrag toegekend, tenzij dat vonnis die schadeloosstelling geheel of ten deele mocht uitsluiten. De gecursiveerde woorden maken het dus mogelijk, dat men door overtreding van de veewet, evenals thans ingevolge art. 27 der veewet 1870, zijn recht op schadeloosstelling verspeelt, echter blijven de gevallen in de veewet 1920 beperkt tot die overtredingen, welke met het vee worden gepleegd, immers alleen de voorwerpen, waarmede eene overtreding is gepleegd, zijn blijkens art. 86 voor inbeslagneming vatbaar. Verzuim van aangifte doet dus niet meer recht op schadeloosstelling te loor gaan. Hoewel daardoor een krachtig middel tot handhaving van de wet belangrijk is verzwakt, vindt de Staatscommissie geene termen op onveranderd behoud van art. 27 der veewet 1870 aan te dringen.

Het Nederlandsch volkskarakter en in het bijzonder dat van den vrijheidlievenden Nederlandschen veehouder verzet zich instinctmatig tegen uitsluitenden Staatsdwang. De wet moet dan ook ter zake van de bestrijding van het monden klauwzeer de medewerking der veehouders aanmoedigen en in groote trekken regelen. De voorgeschreven maatregelen van bestrijding mogen nog zoo doeltreffend zijn, openlijk of stil verzet van de veehouders kan aan het welslagen zeer groote afbreuk doen.

Wanneer Staat en belanghebbenden in een spheer van wederzijdsch vertrouwen tezamen hun krachten aan de bestrijding geven, zullen de maatregelen van bestrijding den hoogsten graad van volmaking kunnen bereiken, en het snelste en meest afdoende resultaat geven. Alleen dan zal met de geringste opoffering zoowel van de zijde van den Staat als van de belanghebbenden de strijd tegen het mond- en klauwzeer kunnen worden gevoerd tot welzijn van het gansche land.

Op de gronden, welke reeds eerder zijn uiteengezet, moet de leiding der bestrijding daarbij in handen van de overheid blijven berusten.

De medewerking der veehouders dient naar het oordeel der Staatscommissie georganiseerd te worden in provinciale en plaatselijke commissies van waakzaamheid. De wet zal deze commissies niet gebiedend moeten voorschrijven, want in streken, alwaar belanghebbenden dergelijke commissies nog met tegenkanting begroeten, is van hare werkzaamheid reeds bij voorbaat geen succes te verwachten.

De wet scheppe derhalve de mogelijkheid, dat provinciale en plaatselijke commissies van waakzaamheid aanwezig zijn, doch late het in de verschillende streken van het land aan het initiatief van de belanghebbenden zeiven over, of de commissies inderdaad zullen worden gevormd en ter beschikking van het staatstoezicht zullen zijn.

De wet dient dan, met 't oog op de eventueele functionneering van dergelijke commissies hare bevoegdheden te omschrijven en hare benoeming te regelen.

De medewerking der belanghebbenden aan ie bestrijding.

Sluiten