Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t t

]

] ]

i«. De internationale bestrijding.

>ij mond- en klauwzeer en c. op de smetstof van het mond- en klauwzeer, in het (ijzonder met betrekking tot actieve immunisatie, worden de resultaten in de Bijlagen /I en VII van het rapport der Staatscommissie gepubliceerd. De Staatscommissie stelt voor:

i°. de oprichting door de Nederlandsche Regeering van een instituut vooi iet onderzoek van besmettelijke dierziekten in het algemeen, met eene bijzondere ifdeeling en bijzondere accomodaties voor het mond- en klauwzeer-onderzoek, welk nstituut door middel van een centraal mternationaal lichaam voeling moet houden net soortgelijke in andere landen op te richten instituten, een en ander in overeenstemming met de besluiten van de op 25—28 Mei 1921 te Parijs gehouden internationale conferentie voor de studie van besmettelijke dierziekten.

2°. de oprichting door de Nederlandsche Regeering van een pharmacotherapeutisch instituut ten behoeve van het onderzoek van geneesmiddelen voor veterinaire doeleinden.

DERDE VRAAGPUNT: Hoe kan in afwachting van de resultaten van dit onderzoek en {lees: of) bij ontkennende beantwoording van de tweede vraag het mond- en klauwzeer op de beste wijze worden bestreden}

De Staatscommissie heeft bij de behandeling van dit vraagpunt achtereenvolgens, in verband ook met de bestaande veewet en de in 1920 in het Staatsblad verschenen doch nog niet in werking getreden nieuwe veewet, besproken:

i°. de internationale bestrijding; 2°. de nationale bestrijding;

30. de overheidsbemoeiing en de medewerking van de belanghebbenden bij de bestrijding.

De Staatscommissie meent, dat theoretisch beschouwd, de mogelijkheid eener uitroeiing van het mond- en klauwzeer in alle landen moet worden aangenomen. Praktische bezwaren staan echter vooralsnog aan deze uitroeiing in den weg. Toch is de Staatscommissie van oordeel, dat door internationale maatregelen de ziekte in een groot deel van Europa zoodanig zou kunnen worden bestreden, dat zij praktisch gesproken, aldaar van geen beteekenis meer zou zijn. Onder verwijzing naar art. 23 sub f van het Volkenbondsverdrag, waarin de internationale voorkoming en bestrijding van ziekten op den voorgrond wordt gebracht, geeft de Staatscommissie in ernstige overweging, dat de Nederlandsche Regeering ter verkrijging van eene toekomstige internationale bestrijding van het mond- en klauwzeer, aanvangt zich met de naburige landen (Duitschland en België) omtrent eene gemeenschappelijke bestrijding te verstaan.

Sluiten