Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WITTE POESJE.

1908.

't Was op een Zondagmorgen.

Langs 't oude, schunnige grachjte lag het vroege zonnelicht te droomen; over het drabbige water vloeide het in stille vroolijkheid: de rustvreugde van den vroegen morgen.

Het poesje, het kleine, witte poesje had al lang heel stil gelegen op de warme vensterbank, twee hoog, met z'n kop moe op de naar binnen gevouwen pootjes; de dommeloogjes knipperend tegen 't hel geglim van 't vensterraam in de zon.

Toen een groote bromvlieg tegen 't schitterglas opketste en gonzend

Sluiten