Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een hoek van de ruit bleef sirren.

't Poesje schrikte, — even; toen, met een plots opveeren van 't ranke lijf drukte het wild de mollige klauwtjes in het gladde glashoekje

En in eens was het gebeurd.

't Poesje was gevallen uit de vensterbank, twee hoog

Nog even opgevangen door t slapperig zonneschermpje van 't snoepwinkeltje beneden, en met een buigend opzwaaien neergesmakt op de klinkersteenen.

't Was blijven liggen, roerloos.

Als n mollig brokje bont lag het op de bruinig-grijze straatklinkers.

Zacht-zijïg glansde in 't licht het mooie vel: als sneeuwdons de helle lichtveeg over den rug, in de schaduw zacht-glimmend wegdoezelend de lamliggende pooten.

't Dier bloedde . . ♦

Sluiten