Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillende wetten verspreid, op tal van punten verschillend is geregeld, zooveel mogelijk in één wetsontwerp of in zeer enkele wetsontwerpen zou samenvatten en dat in de regeling der onderdeelen zoo groot mogelijke uniformiteit zou worden gebracht. In de tweede plaats echter zou zij niet slechts het bestaande recht moeten codificeeren en zooveel mogelijk gelijk moeten maken, maar zou zij ook dat recht moeten toetsen aan regelen van doelmatigheid en billijkheid en zoo noodig wijzigingen in het geldende recht zelf moeten voorstellen. Eén punt werd daarbij in het benoemingsbesluit zelf onder haar bijzondere aandacht gebracht, de vraag n.1., welke maatregelen behooren te worden genomen om te voorkomen dat de last der ten koste van den Staat komende pensioenen op de toekomst wordt geschoven. Dat bij haar voorstellen de Commissie rekening zou moeten houden met bestaande pensioensaanspraken, werd in de haar verstrekte opdracht nog bijzonder in het licht gesteld.

Het arbeidsveld der Commissie was in zóóverre beperkt, dat de pensioensregelen voor militairen bepaaldelijk buiten haar overweging waren gesloten. De vraag was echter — een vraag die de Commissie zich ook naar aanleiding van verzoeken, door belanghebbenden tot haar gericht, bepaaldelijk moest stellen — in hoever wèl binnen haar terrein van werkzaam, heid viel de pensioenregeling voor de zoogenaamde mindere geëmployeerden, werklieden en bedienden op daggeld werkzaam bij de inrichtingen van 's Rijks Zee- en Landmacht, en voor hun weduwen en weezen. Voor die groepen is bij de wet van 18 Juli 1890 (Staatsblad n°. 109) een afzonderlijke regeling getroffen, die in tal van opzichten afwijkt van de in hetzelfde jaar tot stand gekomen Pensioenwetten voor de burgerlijke ambtenaren en hun weduwen en weezen. Een gelijksoortige vraag deed zich voor ten aanzien van de Rijksioodsen, die mede onder een eigen wet leven doch die, ten deele althans, wel onder de algemeene regeling voor de Rijksambtenaren zouden willen komen. In verband echter met het feit dat bij haar instelling klaarblijkelijk niet mede het oog op deze groepen was gevestigd, meende de Commissie, ze voorloopig buiten het gebied harer overweging te moeten houden. Intusschen heeft Uwe Majesteit haar bij besluit van 14 April 1919, n°. 63, nader opgedragen om, nadat zij zich van de haar aanvankelijk gegeven opdracht zal hebben gekweten en Uwer Majesteit haar voorstellen zal hebben aangeboden, alsnog een aanvullingsregeling te ontwerpen, waarbij de mindere gemployeerden, werklieden en bedienden op daggeld werkzaam bij inrichtingen van 's Rijks Ze°-- en Landmacht en het personeel van den loodsdienst voor zeeschepen, zoomede de weduwen en weezen dier beide categorieën worden opgenomen onder hen, voor wie het nieuwe burgerlijke pensioenrecht van toepassing zal zijn. Ingevolge die opdracht zal de Commissie ook de regeling voor de zooeven bedoelde personen alsnog in haar onderzoek betrekken.

De Commissie is haar arbeid begonnen, door aan de hand van door haar opgestelde vragenlijsten (die achter dit rapport zijn afgedrukt) de voornaamste algemeene vragen van het pensioenrecht te behandelen. Na afloop daarvan stelde zij een commissie van redactie in, bestaande uit de heeren De Meestee, Suyling, van Taack Tra Kranen, von Weiler en Scholt ens, die tot taak kreeg, het onderwerp, zooals het door de besprekingen in de volle Commissie aanvankelijk was komen vast te staan, in een wetsontwerp te belichamen. Die commissie van redactie, wier vergaderingen al spoedig op haar verzoek ook regelmatig door den heer Turksma werden bijgewoond en die werd bijgestaan door den adjunct-secretaris, heeft in talrijke vergaderingen haar taak ten uitvoer trachten te brengen. .Het door haar ontworpen wetsontwerp is in de Commissie in haar geheel daarop besproken en na nog verschillende wijzigingen ten slotte vastgesteld.

De Commissie begreep echter, dat bij een onderwerp, waarbij zóó verschillende belangen zijn betrokken als bij de pensoenwetgeving en waarbij de practische beteekenis van de eene of andere oplossing van bepaalde onderdeelen zoo diep door de

3

Sluiten