Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 26.

1. De gelden van het fonds worden belegd

et. in Nationale Schuld, tot een nominaal bedrag van ten minste 48 millioen gulden ;

b. in schuldbrieven ten laste van Nederlandsche provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders;

c. in schuldbrieven ten laste van Nederlandsch Indië en van gewesten of gedeelten van gewesten met eigen geldmiddelen in Nederlandsch Indië;

d. in schuldbrieven door den Staat, Nederlandsche provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen of veenpolders rechtstreeks en onvoorwaardelijk voor rente en aflossing gewaarborgd ;

e. in schuldbrieven, uitgegeven door overeenkomstig de Nederlandsche wet opgerichte, uitsluitend in Nederland werkende hypotheekbanken of maatschappijen voor grond-, gemeente- of poldercrediet;

f. in schuldbrieven, uitgegeven door buitenlandsche hypotheekbanken, voorzooveel deze laatste uitsluitend werken in het land waar haar hoofdkantoor is gevestigd;

ij. in schuldbrieven, uitgegeven door maatschappijen, welke spoorwegen in eigendom hebben of exploiteeren;

h. in schuldbrieven, welke door maatschappijen als onder y bedoeld, rechtstreeks en onvoorwaardelijk voor rente en aflossing zijn gewaarborgd;

i. in schuldvorderingen, gewaarborgd door het recht van eerste hypotheek op onroerende goederen in Nederland gelegen, onder de voorwaarden en waarborgen, door Ons vastgesteld ;

k. in voor eigen gebruik bestemde of met goedkeuring van Onzen Minister van Financiën aangekochte onroerende goederen.

2. Van de voor belegging in aanmerking komende fondsen wordt jaarlijks in de maand Januari een lijst opgemaakt door directeur en commissarissen; die lijst wordt, zoo noodig, door hen in den loop van het jaar herzien. De lijst is onderworpen aan de goedkeuring van Onzen Minister van Financiën.

Artikel 27.

1. De beleggingen zoomede de beleening en de tegeldemaking' van geldswaardige stukken geschieden door den directeur onder goedkeuring van een Commissie van drie leden uit het college van commissarissen, door Onzen Minister van Financiën aangewezen.

2. Bij verschil tusschen den directeur en die Commissie beslist Onze Minister van Financiën op verzoek van de meest gereede partij.

DERDE TITEL. Van de aanstelling.

Artikel 28.

1. Ieder ambtenaar en ieder die is benoemd in een onbezoldigde betrekking, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onder a, ontvangt binnen 4 maanden na den dag van ingang zijner benoeming een schriftelijke aanstelling. Bij algemeenen maatregel van bestuur worden regelen gesteld inzake het inzenden van stukken ten aanzien van personen in zijdelingschen dienst.

2. Hij die in lossen dienst was, ontvangt binnen twee maanden na een overgang als bedoeld in het laatste lid van artikel 3, een schriftelijke aanstelling, ingaande met den dag van aanvang van zijn lossen dienst.

3. Tegelijk met de uitreiking van de aanstelling wordt den Pensioenraad een gewaarmerkt afschrift van de aanstelling toegezonden.

Sluiten