Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 29.

De zorg voor de naleving van het vorige artikel berust:

ten aanzien van personen in dienst van het Rijk: bij den Minister, onder wien zij ressorteeren;

ten aanzien van personen in dienst van een provincie: bij Gedeputeerde Staten;

ten aanzien van personen in dienst van een gemeente: bij Burgemeester en Wethouders of, geldt het personen die door den Burgemeester worden aangesteld, bij dezen;

' ten aanzien van andere personen: bij den voorzitter van het bestuur of, ontbreekt een bestuur, bij het hoofd van het lichaam of het hoofd of den houder van de inrichting, waarbij zij in dienstbetrekking zijn.

Artikel 30.

1. De ambtenaar, die van oordeel is dat artikel 28 te zijnen aanzien niet behoorlijk wordt nageleefd, kan daarop de aandacht van den Pensioenraad vestigen.

2. De Pensioenraad noodigt, indien naar zijn oordeel aitikel 28 niet behoorlijk is nageleefd, het bevoegd gezag uit, daaraan alsnog binnen een door hem te bepalen tijd te voldoen. Voldoet dat gezag aan die uitnoodiging niet, dan onderwerpt de Pensioenraad de zaak. aan den Gentralen Raad van Beroep. Beslist de Centrale Raad, dat ten onrechte geen aanstelling is uitgereikt, dan zendt hij aan den ambtenaar; aan het betrokken gezag en aan den Pensioenraad een gewaarmerkt afschrift zijner beslissing, waarin de dag van ingang der benoeming wordt vermeld. Dat afschrift geldt voor de toepassing van deze wet als schriftelijke aanstelling.

3. Het bepaalde in de laatste twee volzinnen van het vorige lid is eveneens van toepassing, als de Centrale Raad, in beroep

I tegen een weigering van den Pensioenraad beslissende, heeft uitgesproken, dat ten onrechte geen aanstelling is uitgereikt.

4. Onverminderd de toepassing van artikel 37 en artikel 39 is hij, te wiens laste de wedde komt, ter zake van een ambtenaar, voor wien het afschrift van de beslissing van den Centralen Raad als schriftelijke aanstelling geldt, een bijzondere bijdrage aan het fonds verschuldigd van 10 percent van de wedde over den tijd tusschen den dag van ingang der benoeming en den laatsten dag der maand, waarin de Centrale Raad besliste.

Artikel 31.

1. De ambtenaar die niet binnen 6 maanden na den dag van ingang van zijn benoeming of na een overgang als bedoeld in het laatste lid van artikel 3, een schriftelijke aanstelling heeft ontvangen en niet binnen 9 maanden na evenbedoelden dag onder de aandacht van den Pensioenraad heeft gebracht dat naar zijn oordeel artikel 28 niet behoorlijk is nageleefd, wordt — tenzij de Pensioenraad om bijzondere redenen anders bepaalt — vóór den dag, waarop het gewaarmerkt afschrift van ^de aanstelling of van de beslissing van den Centralen Raad van Beroep aan den Pensioenraad is toegezonden, slechts ten aanzien van de bepalingen omtrent de bijdrage als ambtenaar beschouwd.

2. Hij die in onbezoldigden dienst is en niet binnen 6 maanden na den dag van ingang van zijn benoeming een schriftelijke aanstelling heeft ontvangen, kan, tenzij hij binnen 9 maanden na evenbedoelden dag onder de aandacht van den Pensioenraad heeft gebracht dat naar zijn oordeel artikel 28 niet behoorlijk is nageleefd, den tijd in de onbezoldigde betrekking niet inkoopen. Hetzelfde geldt voor hem, die in zijdelingschen dienst is en ten opzichte van wien de in het eerste lid van artikel 28 bedoelde regelen niet binnen 6 maanden na den

^dag van zijn indiensttreden behoorlijk zijn nageleefd.

3. De Pensioenraad kan echter in een geval, als bedoeld in het vorige lid,- om bijzondere reden inkoop toestaan.

Sluiten