Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pensioen of het wachtgeld een bedrag in. Dat bedrag is V4 van de inkoopsom. De inhouding wordt over een tijdvak van 10 jaren gelijkmatig verdeeld.

ZESDE TITEL. Van het pensioen der ambtenaren.

Hoofdstuk I. Van het eecht op pensioen. Artikel 43.

1. Behoudens het bepaalde in het derde lid heeft de ambtenaar na zijn ontslag recht op pensioen, indien hij op het tijdstip van ingang van het ontslag:

a. den leeftijd van 65 jaren heeft bereikt (ouderdomspensioen);

b. den leeftijd van 55 jaren heeft bereikt, mits hg laatstelijk één of meer bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen betrekkingen heeft bekleed en een diensttijd van ten minste 10 jaren in één of meer dier betrekkingen kan doen medetellen (vervroegd ouderdomspensioen);

c. buiten de gevallen, onder d bedoeld, uithoofde van ziekten of gebreken ongeschikt is verklaard voor de verdere waarneming van zijn betrekking (invaliditeitspensioen);

d. uit hoofde van ziekten of gebreken ongeschikt is verklaard voor de verdere waarneming van zijn betrekking, wanneer die ziekten of gebreken het rechtstreeksch gevolg zijn van de uitoefening van zijn dienst, doch niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten; (verhoogd invaliditeitspensioen);

e. uithoofde van andere redenen dan ziekten of gebreken ongeschikt is verklaard voor de verdere waarneming van zijn betrekking (ongeschiktheidspensioen). '.

2. Behoudens het bepaalde in het derde lid heefi de ambtenaar na zijn ontslag recht op penséoen, indien hij is ontslagen op grond van opheffing van zijn betrekking of op grond van een nieuwe organisatie van zijn dienstvak, mits hem geen wachtgeld wordt toegekend of het wachtgeld dat hij ontving, vervalt, wordt ingetrokken of minder bedraagt dan het pensioen, berekend over zijn diensttijd.

3. Echter bestaat geen recht op een pensioen bedoeld in het eerste lid onder a, c en e of in het tweede lid, wanneer de ambtenaar niet een diensttijd van ten minste 7 jaar kan doen medetellen en in de 7 jaar, die onmiddellijk aan den datum van ingang van het ontslag zijn voorafgegaan, niet in het geheel ten minste 3 jaar werkelijk dienst heeft gedaan; en bestaat geen recht op een pensioen bedoeld in het eerste lid onder b, wanneer de ambtenaar in de 7 jaar, die onmiddellijk aan den datum van ingang van het ontslag zijn voorafgegaan, niet in het geheel ten minste 3 jaar werkelijk dienst heeft gedaan

Artikel 44.

De in het eerste lid van het vorige artikel ónder b bedoelde betrekkingen zijn de zoodanige die geacht moeten worden in den regel door personen van meer gevorderden leeftijd niet of slechts ten koste van te groote inspanning naar eisch te kunnen worden vervuld. De aanwijzing bh' algemeenen maatregel van bestuur geschiedt op voorstel of na advies van den Pensioenraad, die zoo mogelijk adviezen van deskundigen inwint en bij zijn voorstel of advies overlegt.

Artikel 45.

Indien de in een betrekking krachtens wet of verordening gevorderde diensten niet gedurende het geheele jaar werkzaamheden vereischen, wordt niettemin — tenzij in de akte van aanstelling het tegendeel is bepaald of de ambtenaar in den loop van een jaar is ontslagen — voor- de toepassing van deze wet de ambtenaar geacht het geheele jaar werkelijk dienst te hebben gedaan.

Sluiten