Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 46.

1. Het recht op invaliditeitspensioen of verhoogd invaliditeitspensioen is afhankelijk van een, op een onderzoek als bedoeld in artikel 69 steunende, met redenen omkleede geneeskundige verklaring, waaruit van het bestaan van ziekten of gebreken blpt.

2. Bij de geneeskundige verklaring wordt tevens een gevoelen uitgesproken over de vraag, of de ambtenaar wegens de bij hem vastgestelde ziekten of gebreken ongeschikt is voor de verdere waarneming van zijn betrekking, en, in de daartoe leidende gevallen, of zij het rechtstreeksch gevolg zijn van de uitoefening van den dienst.

Artikel 47.

1. Indien zulk een onderzoek niet reeds eerder heeft plaats gehad', doet het gezag waaronder een ambtenaar dient, een geneeskundig onderzoek instellen als bedoeld in artikel 69, zoodra die ambtenaar drie jaar achtereen wegens ziekte afwezig of op een verminderde wedde werkzaam is geweest. Onderbreking van afwezigheid wordt slechts aangenomen, als gedurende meer dan twee maanden achtereen werkelijk dienst is gedaan.

2. Hij die, zij het ook alleen door gebrek aan medewerking, verhindert dat een onderzoek of een voldoend onderzoek plaats heeft, wordt voor de toepassing van deze wet geacht ontslag te hebben gevraagd met den eersten van het kwartaal, volgend op dat, waarin de Pensioenraad of de Centrale Raad van Beroep brj onherroepelijk geworden uitspraak heeft beslist dat het in dit lid bedoelde geval zich heeft voorgedaan.

Artikel 48.

L Op het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vorige artikel, is het bepaalde in de artikelen 71—75 van toepassing.

2. Ook indien den ambtenaar door het bevoegde gezag geen ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van deze wet geacht te zijn ontslagen met den eersten dag van het kwartaal Volgend op dat waarin de Pensioenraad of de Centrale Raad van Beroep bh' onherroepelijk geworden uitspraak heeft beslist dat hij uit hoofde van ziekten of gebreken voor de verdere waarneming van zijn betrekking ongeschikt is.

Artikel 49.

Onafhankelijk van de voorwaarden bij de vorige artikelen vermeld, hebben na hun ontslag recht op pensioen:

a. de Ministers, ingeval van aftreding als zoodanig:

b. de consulaire ambtenaren, die als zoodanig 35 jaren kunnen doen medetellen.

Hoofdstuk II. Van de berekening van het pensioen. Artikel 50.

li Het pensioen bedraagt voor elk jaar in aanmerking komenden dienst twee percent van de middelsom der pensioensgrondslagen, met dien verstande dat het niet minder dan 30 percent en niet meer dan 70 percent van die som bedraagt.

2. Als middelsom der pensioensgrondslagen geldt het jaarlijksche gemiddelde van de gezamenlijke grondslagen der laatste 3 jaren, onmiddellijk aan den dag van ingang van het ontslag voorafgaande, ot indien het jaarlijksche gemiddelde van de gezamenlijke grondslagen der laatste 10 onmiddellijk aan den dag van ingang van het ontslag voorafgaande jaren of van den geheelen diensttijd grooter is, het grootste dier bedragen. Heeft niet over een termijn van 3 jaren, onmiddellijk aan den dag

8

Sluiten