Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Worden de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard, dan treedt de beslissing, in beroep gegeven, in de plaats van die, waartegen beroep werd ingesteld.

3. Wordt in beroep het recht op pensioen ontzegd of een lager pensioen toegekend, dan wordt het reeds betaald of te veel betaalde niet teruggevorderd.

Artikel 120.

De bepalingen van de Beroepswet omtrent de behandeling van het geding, en de bepalingen van de ter uitvoering dier wet genomen besluiten vinden overeenkomstige toepassing, behoudens de afwijkingen en aanvullingen, bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen.

TWAALFDE TITEL. Van herziening van genomen beslissingen. Artikel 121.

1. Een beslissing van den Pensioenraad kan door hem in het nadeel van den bij die beslissing betrokkene alleen worden herzien op grond van gebleken onjuistheid van aan de beslissing ten grondslag gelegde feiten.

2. Uitspraken van den Centralen Raad van Beroep kunnen in het nadeel van den betrokkene alleen worden herzien in de gevallen en volgens de regelen van de artikelen 127—132 der Beroepswet.

Artikel 122.

De Pensioenraad is bevoegd, op daartoe door of vanwege den belanghebbende gedane aanvrage een door dien Raad of door den Centralen Raad van Beroep gegeven beslissing in het voordeel van den bij de beslissing betrokkene te herzien.

Artikel 123.

Reeds uitbetaalde pensioensbedragen worden niet -op grond van een herziening als bedoeld in artikel 121 teruggevorderd, tenzij in de herzieningsbeslissing is uitgesproken dat de gebleken onjuistheid van aan de beslissing ten grondslag gelegde feiten was te wijten aan het opzet van den betrokkene zeiven.

DERTIENDE TITEL.

Overgangs- en slotbepalingen.

Artikel 124.

Voor de toepassing van deze wet worden met ambtenaren gelijkgesteld:

a. de bezoldigde leden van het bestuur der Rijksverzekeringsbank, ingesteld bij de Ongevallenwet 1901, de wiskundige adviseur en de aan dat bestuur ondergeschikte ambtenaren;

b. de opzichters en lichtwachters bij de verlichting op de Westerschelde en in hare mondingen wier wedde of belooning ingevolge de tusschen 'België en Nederland bestaande overeenkomst van 31 Maart 1886 (Staatsblad n°. 80) ten laste van België komt;

c. de bestuursleden van en de ambtenaren bij gemeentelijke instellingen, benoemd door of vanwege het daartoe bevoegd gezag der gemeente en in het genot van een wedde in den zin dezer wet die uit andere dan gemeentelijke inkomsten wordt betaald;

d. de Voorzitters en de secretarissen van de Raden van arbeid, alsmede de aan die Raden ondergeschikte ambtenaren en beambten, de feezoldigde leden en de secretarissen der Verzekeringsraden, alsmede de onder de secretarissen der Verzekeringsraden werkzame ambtenaren en beambten.

Artikel 125.

1. Aan de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnde ambtenaren die eene schriftelijke aanstelling van de tot benoemen bevoegde autoriteit in de

Sluiten