Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dien tijd een bedrag naar een tarief dat wordt vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. Zij is verschuldigd door bet lichaam, dat de belanghebbende rechtstreeks of zijdelings heeft gediend of — voor zooveel zij betrekking heeft op den inkoop van tijdelijken diensttijd bij het bijzonder hooger of middelbaar onderwijs, of van diensttijd bij het bijzonder lager onderwijs — door het Rijk.

Artikel 128.

1. De bijdrage, bedoeld in het vorige artikel, wordt betaald in eens op 31 December van het jaar, waarin de inkoop plaats heeft of, met rente volgens het tarief, in tien zooveel mogelijk gelijke jaarlijksche termijnen, waarvan de eerste op dien datum vervalt.

2. De verplichting tot betalen vervalt niet door het ontslag of het overlijden van den ambtenaar.

Artikel 129.

1. Van de bijdrage, bedoeld in het vorige artikel, kan ten hoogste een vierde deel op den ambtenaar worden verhaald.

2. Het bedrag dat de ambtenaar reeds over vroegeren diensttijd voor pensioen heeft betaald, komt in mindering van dat, hetwelk op hem kan worden verhaald. Bedraagt eerstgemeld bedrag meer dan dat, hetwelk het lichaam, dat het als pensioensbijdrage invorderde, krachtens het eerste lid op den ambtenaar mag verhalen, dan keert dit lichaam aan dat, hetwelk van de in het eerste lid verleende bevoegdheid wenscht gebruik te maken, doch als gevolg van de bedoelde vermindering op den ambtenaar niet kan verhalen hetgeen zij hem wenscht te doen bijdragen, het ontbrekende uit.

Artikel 130.

\ Op verzoek en ten bate van het lichaam, dat de bijdrage, bedoeld in art. 127, verschuldigd is en een deel daarvan op den belanghebbende wil verhalen, houdt hij, die diens wedde als ambtenaar of diens pensioen of wachtgeld als oud-ambtenaar uitbetaalt, dat deel op die wedde of op dat pensioen of wachtgeld in.

2. De inhouding gaat in met het kwartaal, volgende op dat, waarin het in het eerste lid bedoelde verzoek is ontvangen en geschiedt in tien achtereenvolgende jaren, telkenmale voor een tiende gedeelte. «vIm

Artikel 131.

Diensttijd vóór 1 Juli 1901 als opzichter of lichtwachter, bedoeld in art. 124 onder b en diensttijd vóór 1 October 1910 als bestuurslid of ambtenaar, bedoeld in art. 124 onder c, kunnen als tijdelijken diensttijd voor pensioen worden ingekocht.

Artikel 132.

De tijd, gedurende welken ambtenaren, die de verklaring, bedoeld in art. 6 der wet van 5 Juni 1905 (Staatsblad n°. 154), art. 39 der Pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913 of art. 61 der Pensioenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913, hebben afgelegd, dientengevolge niet pensioengerechtigd zijn geweest, kan op den voet van de artikelen 126 tot en met 130 voor pensioen worden ingekocht.

Artikel 133.

1. Voor een ambtenaar die vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet meer dan drie jaren achtereen wegens ziekte afwezig of op verminderde wedde werkzaam is geweest, tellen, bij de regeling van zijn pensioen, van den tijd zijner afwezigheid of zijner werkzaamheid op bedoelden voet niet meer dan drie jaren als diensttijd mede.

2. De afwezigheid wordt geacht te zijn onderbroken wanneer de belanghebbende ten minste twee maanden achtereen werkelijk dienst.heeft gedaan.

Sluiten