Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijgedragen, indien zij zoodanige verklaring niet hadden afgelegd. Ten aanzien van de voor gemeenteambtenaren verschuldigde bijdragen, is artikel 32 der Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 van toepassing.

2. Ten opzichte van de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, is deze wet voorzooveel hare op het weduwen- en weezenpensioen betrekking hebbende bepalingen betreft, niet van toepassing, wanneer die ambtenaren het verlangen hiertoe in den vórm eener schriftelijke verklaring te kennen geven aan den Pensioenraad. Zij, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijn, moeten binnen drie maanden na dat tijdstip en zij die na dat tijdstip als ambtenaar worden herplaatst, moeten binnen drie maanden <ua den. dag van ingang van hun herplaatsing zoodanige verklaring aan den Pensioenraad doen toekomen.

Artikel 140.

1. De gemeenten, die op grond van art. 68 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 vrijgesteld zijn van het betalen van pensioensbijdragen voor haar in dat artikel bedoelde ambtenaren, behoeven niet voor het eigen pensioen dier ambtenaren aan het fonds bij te dragen.

2. Zij keeren de, in dat artikel bedoelde pensioensgedeelten jaarlijks vóór 1 Juli uit aan het fonds.

.3. Gaat een ambtenaar voor wien op grond van het eerste lid niet voor pensioen wordt bijgedragen, over in dienst van een ander openbaar lichaam, of wordt hij ambtenaar in den zin van artikel 4 of van artikel 5, dan wordt van het tijdstip van ingang van den overgang in het nieuwe ambt af, op den gewonen voet voor hem bijgedragen.

4. Voor de toepassing van artikel 126 wordt bij beschouwd als een oud-ambtenaar die, niet in dienst op bet tijdstip van het in werking treden van deze wet, met <inga.Bg van het iu vorig lid bedoelde tijdstip wordt herplaatst.

5. Ook ten aanzien van zijn diensttijd tusschen de twee in het vorig lid bedoelde tijdstippen, is artikel 126 van toepassing. Mede gelden ten opzichte van de bijdrage voor inkoop de artikelen 127 tot en met 130.

Artikel 141.

1. Wij kunnen, den Pensioenraad gehoord, aan een gemeente toestaan haar ambtenaren, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet volgens art. 69 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 of die volgens art. 45 der Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913, aan de werking van eerstgenoemde, respectievelijk van laatstgenoemde wet zijn onttrokken, voor den in het eerste lid van eerstgenoemd, of voor den in het eerste lid van laatstgenoemd artikel bedoelden tijd, aan de toepassing ook van de bepalingen dezer wet betreffende het ambtenaarspensioen, respectievelijk! van die omtrent het ambtenaarsweduwen-en weezenpensioen, te onttrekken.

2. De hierop betrekking hebbende verzoeken van gemeenten moeten aan ons worden gericht binnen drie maanden na het tijdstip van bet in werking treden van deze wet.

3. Doet zich ten aanzien van een ambtenaar die krachtens het eerste lid aan de toepassing van de bepalingen dezer wet omtrent het ambtenaarspensioen is onttrokken, het in het derde lid van het vorig artikel bedoelde geval voor, dan zijn te zijnen opzichte het vierde en het vijfde lid van dat artikel van toepassing. De gemeente, welker dienst hij verlaat, betaalt bovendien aan het fonds zes en een half percent van zijn eersten pensioensgrondslag als ambtenaar.

4. Doet zich ten aanzien van een ambtenaar, die krachtens het eerste lid aan de toepassing van de bepalingen dezer wet omtrent het ambtenaarsweduwen- en weezenpensioen is onttrokken, het in het derde lid van het vorig artiklel bedoelde geval voor, dan betaalt de gemeente welker dienst hij verlaat aan het fonds voor elk jaar van den tijd gedurende welken de belanghebbende aan de toepassing dier bepalingen onttrokken is geweest, zes en een half ten honderd van zijn

Sluiten