Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijs, de artt. 20, 21 en 214 der Hooger Onderwijswet en art.

4 der wet van 5 Juni 1905 (Staatsblad n°. 154);

art. 3 der wet van 6 Juni 1900 (Staatsblad n°. 103);

de wetten van 29 April 1901 (Staatsblad n°. 91), 28 Mei 1901 (Staatsblad n°. 127) en 17 Juni 1918 (Staatsblad n°. 403) alsmede artikel 97a van de Radenwet;

de pensioenwet voor zijdelingsclien Staatsdienst 1912; de artt. 1, 2 en 4 der wet van 3 Juni 1918 (Staatsblad 329);

de wet van 17 Juni 1918 (Staatsblad n°. 384).

Artikel 154.

Van de in het vorig artikel genoemde wetten blijven de volgende artikelen —- voor een deel gewijzigd in den in het volgend artikel aangegeven zin — van kracht:

I. Van de Burgerlijke Pensioenwet:

a. art. 3, tweede en derde lid, de op de .pensioensberekening betrekking hebbende artikelen en art. 33, laatste lid, voor de gewezen burgerlijke ambtenaren in den zin dier wet, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet aan het tweede lid van eerstgenoemd artikel uitzicht op pensioen ontleenen;

b. de artt. 7, eerste en derde lid, 11, eerste lid en 12, onder b, eerste zinsrrede voor de burgerlijke ambtenaren in bovenbedoelden zin met een pensioensgrondslag hooger dan hun wedde of met een totaal aan pensioensgrondslagen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, hooger dan het totaal aan wedden op het tijdstip van ingang Van hun ontslag, voor wie de toepassing van die artikelen — waarbij in het hier in de tweede plaats genoemde geval de berekening geschiedt naar bovenbedoeld totaal aan pensioensgrondslagen — een hooger pensioen oplevert dan die van de voor die artikelen in de plaats getreden bepalingen in verband met artikel 134 dezer wet;

c. art. 14 onder e, tweede, in verband met de eerste zinsnede, en art. 15, tweede, vierde en vijfde lid, ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de door op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnde of daarna herplaatst wordende ambtenaren op dat tijdstip reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten;

d. art. 45 en art. 53, tweede lid, derde lid, met uitzondering van lit. e, g en h, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.

II. Van de wetten tot wijziging van de Burgerlijke Pensioenwet:

a. van de wet van 9 April 1897 (Staatsblad n°. 85) art. 2 en van de wet van 28 Juni 1898 (Staatsblad n°. 152), zooals die is gewijzigd bij de wet van 6 Juni 1900 (Staatsblad n°. 103), art. 4, eerste, tweede en vijfde lid en art.

5 ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de door op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnde of daarna herplaatst wordende ambtenaren op dat tijdstip reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten;

b. het vierde lid van art. 4 der gewijzigde wet van 28 Juni 1898 (Staatsblad n°. 152);

c. van de wet van 21 Juni 1913 (Staatsblad n°. 303), gewijzigd bij de wet van 26 Maart 1917 (Staatsblad n°. 253), de artt. IV, V en VI ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de op het tij dstip van het in werking treden van deze wet reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten.

III. Van de Pensioenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913:

a. Art. 3, tweede en derde lid, de op de pensioenberekening betrekking hebbende artikelen en art. 26, eerste lid,

Sluiten