Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de gewezen gemeenteambtenaren in den zin dier wet, die op bet tijdstip van bet in werking treden van deze wet aan bet tweede lid van eerstgemeld artikel uitzicbt op pensioen' ontleenen;

b. de artt. 8, eerste en derde lid, 12 en 13 voor de gemeenteambtenaren in bovenbedoelden zin met een pensioensgrondslag, hooger dan hun wedde, of met een totaal aan pensioengrondslagen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, hooger dan het totaal aan wedden op het tijdstip van ingang van hun ontslag, voor wie de toepassing van die artikelen — waarbij in het hier in de tweede plaats genoemde geval de berekening geschiedt naar bovenbedoeld totaal aan pensioensgrondslagen — een hooger pensioen oplevert dan die van de voor die artikelen in de plaats getreden bepalingen in verband met artikel 134 dezer wet;

c. art. 43, tweede en derde lid, in verband met art. 15, lit. c, en de artt. 45, 46, tweede en derde lid, 47, 63, 64 en 65 ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten.

IV. Van de Pensioen/wet voor de bijzondere leeraren 1913:

a. art. 3, vierde lid, d, de op de pensioensberekening betrekking hebbende artikelen en art. 34, derde lid, voor de gewezen leeraren in den zin dier wet die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet aan het' vierde lid, onder d, van eerstgemeld artikel, uitzicht op pensioen ontleenen ;

b. de artt. 5, eerste en derde lid, 9, eerste lid, en 10 voor de leeraren in bovenbedoelden zin met een pensioensgrondslag, hooger dan bun wedde of met een totaal aan pensioensgrondslagen op bet tijdstip van het in werking treden van deze wet, hooger dan het totaal aan wedden óp het ijdstip van ingang van hun onslag, voor wie de toepassing van die artikelen — waarbij in het hier in de tweede plaats genoemde geval de berekening geschiedt naar bovenbedoeld totaal aan pensioensgrondslagen — een hooger pensioen oplevert dan die van de voor die artikelen in de plaats getreden bepalingen in verband met art. 134 dezer wet;

c. art. 27 in verband met art. 26, en de artt. 28 en 32, tweede, in verband met het eerste lid, ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de voor op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnde of daarna herplaatst wordende leeraren op dat tijdstip reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten;

d. de artt. 32, derde lid, 41, 42 en 43 ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten.

V. Van de wet tot regeling van het lager onderwijs: a. de artt. 42 en 63 voor de op het tijdstip van het in

werking treden van deze wet in dienst zijnde onderwijzers bij het openbaar of het bijzonder lager onderwijs, die met toepassing van eerstgenoemd, respectievelijk laatstgenoemd artikel een hooger pensioen ontvangen dan met toepassing van de voor die artikelen in de plaats getreden bepalingen dezer wet;

6. art. 72, negende, tiende en elfde lid, ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de door op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in diénst zijnde of daarna herplaatst wordende onderwijzers op dat tijdstip reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten;

c. het vierde lid van art. 74.

VI. Van de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890: a. de op de pensioensberekening betrekking hebbende

artikelen, de artt. 8 en 12 en art. 13, met uitzondering van

13

Sluiten