Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het laatste lid, voor de weduwen en weezen der burgerlijke ambtenaren in den zin dier wet, wier laatste pensioensgrondslag hooger was dan hun laatste wedde of wier totaal aan pensioensgrondslagen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet hooger was dan het gezamenlijk bedrag hunner laatste wedden, voor zooveel belanghebbenden, met toepassing van die artikelen — waarbij, indien ten opzichte van het verschil tusschen pensioensgrondslag en wedde van den overleden ambtenaar zich het hiervoren in de tweede plaats genoemde geval voordoet, de berekening naar bovenbedoeld totaal aan pensioensgrondslagen geschiedt — een hooger pensioen ontvangen dan met toepassing van de bij deze wet voorgeschreven wijze van berekening zou worden toegekend;

voor diegenen der weduwen en weezen van gepensionneerde burgerlijke ambtenaren in voormelden zin, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet uitzicht hebben op een pensioen, .hooger dan dat, hetwelk volgens de bij deze wet voorgeschreven wijze van berekening zou worden toegekend;

en voor de weduwen en weezen der oud-burgerlijke ambtenaren die gebruik hebben gemaakt van de bij art. 10, vierde lid, a of b, van eerstgenoemde wet' verleende bevoegdheid;

b. art. 10, vierde lid, b, en negende lid, voor de oudambtenaren, die van de bij lit. 6 van het vierde lid van dat artikel geboden gelegenheid gebruik hebben gemaakt. Voor dezen vervalt de verplichting tot bijdragen bij herplaatsing als ambtenaar;

c. de artt. 23, 24 en 25.

VII. Van de wetten tot wijziging van de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890:

van de wet van 29 Juni 1899 (Staatsblad n°. 149) art. 3; van de wet van 1 December 1917 (Staatsblad n°. 671) de artt. III en VI.

VIII. Van de Weduwenwet voor de onderwijzers 1905:

a. de op de pensioensberekening betrekking hebbende artikelen, de artt. 9 en 16 en art. 17, met uitzondering van het laatste lid, voor de weduwen en weezen der onderwijzers in den zin dier wet, wier laatste pensioensgrondslag hooger was dan hun laatste wedde of wier totaal aan pensioensgrondslagen op het tij dstip van het in werking treden van deze wet hooger was dan het gezamenlijk bedrag hunner laatste wedden, voor zooveel zich ten opzichte van belanghebbenden het hierboven onder VI, a, genoemde geval voordoet;

voor diegenen der weduwen en weezen van gepensionneerde onderwijzers in voormelden zin, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet uitzicht hebben op een pensioen, hooger dan dat, hetwelk volgens de bij deze wet voorgeschreven wij ze van berekening zou worden toegekend;

en voor de weduwen en weezen der oud-onderwijzers die gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid, verleend bij art. 12, eerste lid, a of b, en art. 13, eerste lid, in verband met art. 12 van eerstgenoemde wet;

b. art. 12, eerste lid, b, en vijfde lid en art. 13, eerste en derde lid, voor de oud-onderwijzers die van de bij lit. b. van het eerste lid van eerstgenoemd artikel en art. 13, eerste lid, j°. art. 12, eerste lid, b, verleende bevoegdheid gebruik hebben gemaakt. Voor deze oud-onderwijzers vervalt de verplichting tot bijdragen wanneer zij als ambtenaar worden herplaatst.

IX. Van de Weduwenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913:

a, de op de pensioensberekening betrekking hebbende artikelen en de artt. 12, 15 en 20, voor de weduwen en weezen der gemeente-ambtenaren in den zin dier wet, wier laatste pensioensgrondslag hooger was dan hun laatste wedde of wier totaal aan pensioensgrondslagen op het tijdstip van het

Sluiten