Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weezenpensioen betrekking hebbende bepalingen der Pensioenwet 19..." ; uit de vierde zinsnede van dit lid vervallen de woorden: ,,en in dat van de opzichters van den Waterstaat". De laatste zinsnede van dit lid vervalt.

In het tweede en in het derde lid wordt voor „weduwènen weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren" gelezen: ,,bij artikel Ider Pensioenwet 19... ingestelde fonds".

De laatste zin van het derde lid vervalt,

c. Aan art. 24 worden toegevoegd twee nieüwe leden, luidende als volgt:

De pensioenen van de weduwen en weezen der opzichters en oud-opzichters van den Rijkswaterstaat, bedoeld in art. 4, der wet van 3 Juni 1918 (Staatsblad n°. 324), worden geregeld volgens de in het tweede lid bedoelde bepalingen.

De in het vorig lid bedoelde opzichters en oud-opzichters dragen aan het bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds bij op den vóet waarop zij aan het weduwen-pensioenfonds van de opzichters van den Waterstaat zouden contribueeren, indien dit fonds niet ware opgeheven.

d. In het eerste lid-van art. 25 wordt voor „bij of na", gelezen: „vóór, bij of na", voor „dezer wet", „der Pensioenwet 19...", voor „verlaten", „verlaten hebben of verlaten", voor „treden", „zijn overgegaan of overgaan", voor „kunnen", „worden", voor „de artikelen 5 en volgende dezer wet", „de Pensioenwet 19...", voor „zouden geven", „zou geven" en voor „het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren", „het bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds". Het woord „worden" achter „deelgerechtigd" vervalt.

De overige leden van dat artikel vervallen.

VII. VI eduwenwet voor de onderwijzers 1905, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 December 1917 (Staatsblad n°. 671).

voor de oud^onderwijzers, bedoeld in het vorig artikel, onder VIII b:

In art, 12, eerste lid b en in art. 13, derde lid, wordt voor: „in art. 1 vermelde fonds", gelezen: „bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds".

In het eerste lid van art. 13 wordt voor: „art. 60, eerste lid der wet tot regeling van het lager onderwijs", gelezen: „art. 4, eerste lid b, der Pensioenwet 19...".

VIII. Weduwenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913. voor de oud<-gemeente-ambtenaren, bedoeld in het vorig

artikel, onder IX b:

In het eerste lid van art. 37 wordt voor „fonds" gelezen: „bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds".

In het vierde lid wordt voor: „Onze Minister van Financiën" gelezen: „De Pensioenraad" en voor „bet Departement van Financiën", „den Raad".

In bet vijfde lid wordt voor: „Onze genoemde Minister" gelezen: „De Pensioenraad".

Artikel 156.

Behoudens de wijzigingen, aangebracht bij deze wet, blijven de van wetten of artikelen, genoemd in art. 153, in andere wetten van toepassing verklaarde artikelen, zooals zij op het tijdstip van het in werking treden van deze wet luiden, voor de toepassing van' die wetten van kracht.

Artikel 157.

Behoudens de uitzondering van art. 152 en het bepaalde in de artt. 148 en 149, blijven de wetten en artikelen genoemd in art. 153, zooals "zij op het tijdstip van het in werking treden van deze wet luiden — met uitzondering van de bepalingen omtrent het uitkeeren van vergoedingen door den Staat aan het bij art. 146 opgeheven pensioenfonds voor de gemeente-ambtenaren en omgekeerd — van kracht voor de

Sluiten