Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regeling van rechten en verplichtingen die vóór dat tijdstip zijn ontstaan of (en) tot dat tijdstip doorloopen.

Artikel 158.

Van de wetten waarvan de in art. 153 genoemde artikelen — behoudens bovenstaande uitzonderingen — vervallen, worden de volgende in den hieronder aangegeven zin gewijzigd:

In het eerste en in het tweede lid van art. 45 der wet tot regeling van het lager onderwijs wordt voor ,,37—44" gelezen: ,,37, 38 en 41".

In art. 73 dier wet wordt voor: „De bepalingen der artikelen 60 tot en met 72bis gelden", gelezen: „Art. 72bis geldt".

Uit art. 3 der wet van 3 Juni 1918 (Staatsblad n°. 329) vervallen de'woorden: „met ingang van het tijdstip van het in werking treden van deze wet''; in dat artikel wordt voor: „gebruik maken" gelezen: „gebruik maakten", voor „Weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren", „bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds" en voor „in dat fonds", „in het nu opgeheven Weduwen -en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren".

Uit art. 5 dier wet vervallen de woorden: „en in dat van de opzichters van den Rij kswaterstaat''; in dat artikel wordt voor „die fondsen", gelezen „dat fonds" ;

aan het artikel wordt toegevoegd een nieuw lid, luidende als volgt:

„Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de bijdragen der in het vorig artikel bedoelde opzichters en oudopzichters van den Rijkswaterstaat."-

Artikel 159.

Van kracht blijven:

de wetten van 20 Juli 1895 (Staatsblad n°. 136), 13 Juni 1902 (Staatsblad n°. 98), 27 April 1903 (Staatsblad n°. 136); art. 5 der wet van 3 Juni 1905 (Staatsblad n°. 151); art. 2 der wet van 30 December 1905 (Staatsblad n°. 395); art. III der wet van 27 September 1909 (Staatsblad n°. 324); § 2, art, 18, der wet van 5 Juli 1910 (Staatsblad n\ 181); art, 24 der wet van 1 Mei 1917 (Staatsblad n°. 358); de wet van 23 Mei 1917 (Staatsblad n°. 426).

-Artikel 160.

Van de in het vorig artikel genoemde wetten en artikelen worden de volgende in den hieronder aangegeven zin gewij zigd:

De laatste zin van het eerste lid van art. 2 der wet Van 20 Juli 1895 (Staatsblad n°. 136) vervalt.

In het eerste lid van art. 5 der wet van 3 Juni 1905

(Staatsblad n°. 151) wordt voor: „laatstgenoemd

(Staatsblad n°. 187)" gelezen: „genoemd in het zevende lid van art. 41 der wet tot regeling van het lager onderwijs, zooals zij laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 14 Juli 1919 (Staatsblad n°. 493)".

In het derde lid van art. III der wet van 27 September 1909 (Staatsblad n°. 324) wordt voor „de wettelijke bepalingen tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren" gelezen „de Pensioenwet 19 " en voor „deze bepalingen", „die wet".

In art. 1 der wet van 23 Mei 1917 (Staatsblad n°. 426) wordt voor ,, , bedoeld in later tijdstip", ge¬

lezen: „bij het openbaar of het bijzonder lager onderwijs wordt ten laste van het bij art. 1 der Pensioenwet 19... ingestelde fonds toegekend het pensioen, waarop zij op grond van de Weduwenwet voor de onderwijzers 1905, zooals die wet luidde op het tij dstip van het in werking treden van deze wet, op het tijdstip".

In het eerste lid van art. 4 dier wet wordt voor „weduwenen weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren" gelezen: „bij art. 1 der Pensioenwet 19 ingestelde fonds".

Van het eerste lid van art. 5 dier wet vervallen de derde' en vierde zinsnede.

16

Sluiten