Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Verleening van pensioenen aan ambtenaren en hun weduwen en weezen.

Algemeene Beschouwingen.

§ 1. Uniformiteit der pensioenwetgeving.

Een van de eerste eischen, aan een herziening der pensioenwetgeving te stellen, is wel deze, dat zij meer uniformiteit op het geheele in aanmerking komende gebied schept. Thans ontbreekt die eenheid goeddeels, al is dan ook in 1913 door den toenmaligen pensioenwetgever naar meer onderlinge gelijkheid gestreefd. Een bevredigende toestand is in dit opzicht echter niet te verkrijgen, zoolang niet de geheele pensioenwetgeving in haar onderling verband in oogenschouw wordt genomen. Die wetgeving is ten onzent geleidelijk gegroeid en stuksgewijze opgebouwd. In 1857 werd de pensionneering van de openbare onderwijzers geregeld. Voorts is sinds 1890, toen een nieuwe burgerlijke Pensioenwet werd ingevoerd en eene algemeene regeling van de pensionneering van weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren tot stand kwam, telkens eene nieuwe wet, betrekking hebbende op eene bepaalde groep van belanghebbenden, aan de oude toegevoegd. Afgezien van • de pensioenwetgeving voor militairen en voor hun weduwen en weezen, van de Loodspensioenwet en van de regeling, geldende voor de mindere geëmployeerden, werklieden en bedienden, op daggeld werkzaam bij de inrichtingen van 's Rijks zee- en landmacht, en hun weduwen en weezen en afgezien ook van wetten als die van 29 April 1901 (Staatsblad n°. 91), 28 Mei 1901 (Staatsblad n°. 127) en andere, die bepaalde groepen onder de pensioensgerechtigden brengen en van 17 Juni 1918 (Staatsblad n°. 403) die de uitwerking behelzen van bepaalde artikelen van de algemeene wetten, alsmede van een aantal wetten tot regeling van bepaalde onderdeelen van pensioenrecht, is het pensioenrecht thans vervat in de volgende wetten:

1. de Burgerlijke Pensioenwet (wet van 9 Mei 1890, Staatsblad n°. 78, waarvan de-herhaaldelijk gewijzigde tekst laatstelijk is bekend gemaakt bij Koninklijk besluit van 10 October 1913, Staatsblad n°. 387);

2. de Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren (wet van 21vJuni 1913, Staatsblad n°. 301);

3. de artikelen 39—45 en 60—75 van de wet op het Lager Onderwijs;

4. de wet van 20 Juni 1913, Staatsblad n°. 298, voor de leeraren aan bijzondere gymnasia en aan bijzondere hoogere burgerscholen;

5. de wet van 5 Juni 1905, (Staatsblad n°. 154) voor het onderwijzend personeel van gemeentelijke hoogere burgerscholen, onverplichte gemeente burgerscholen en -gymnasia; gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes en gemeentelijke kweekscholen voor onderwijzers en onderwijzeressen;

6. de wet van 28 Juni 1898 (Staatsblad n°. 152), gewijzigd bij de wet van 6 Juni 1900 (Staatsblad n". 103); tot nadere regeling van de vergelding van tijdelijke diensten met pensioen;

7. de Pensioenwet voor zijdelingschen Staatsdienst 1912 (wet van 30 Maart 1912, Staatsblad n°. 134);

8. de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890 (wet van 9 Mei 1890, Staatsblad n°. 79);

9. de Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 (wet van 21 Juni 1913, Staatsblad 302);

13

Sluiten