Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdelijken dienst bij eene gemeente niet inkoopen. Voor den burgerlijken ambtenaar komt tijdelijk vervulde dienst gewoonlijk wèl in aanmerking. Nu laat zich dat theoretisch zeer wel verdedigen, daar in het eene geval sprake is van tijd, vóór het in werking treden van de desbetreffende wet vervuld, in het andere niet. Maar nu ook bij gemeenteambtenaren tijdelijke dienst, na 1 October 1913 vervuld, kan worden ingekocht, zal men het verschil tusschen hen en de .burgerlijke ambtenaren in de practijk veelal als een onbillijkheid gevoelen.

Denkt men ten slotte nog aan een ongelijkmatigheid als deze, dat voor een burgerlijk en een gemeenteambtenaar als basis voor de berekening van het pensioen de wedde- van de laatste 5 jaar geldt, daarentegen voor een onderwijzer de wedde van het laatste jaar; en bedenkt men dan, dat in het bovenstaande slechts enkele sprekende voorbeelden zijn genomen, die met andere zouden kunnen worden vermeerderd, terwijl een vergelijking van meer ondergeschikte punten in de verschillende wetten tal van verschillen aan den dag zou brengen die niet voldoende zijn gerechtvaardigd, dan is het duidelijk dat alleen reeds het verlangen naar uniformiteit een algeheele her ziening van ons niet-militair pensioenrecht ten volle zou moti veeren. Daarbij mag intusschen niet onopgemerkt blijven, eenerzijds dat voor de fungeerende ambtenaren niet alle van vroeger dateerende leemten en ongelijkmatigheden thans nog zullen kunnen worden weggewerkt, en anderzijds, dat vooreen deel de meerdere eenheid ook zal kunnen en moeten worden gevonden door grootere uniformiteit in de wetgeving of de praktijk inzake de wijze van aanstellen en bezoldigen. Dat spreekt met name bij het onderwijzend personeel. Werd bij de benoeming van leeraren, die aan verschillende scholen in eenzelfde gemeente zullen werkzaam zijn, grootere eenheid betracht; stond de wet op het Lager Onderwijs aan de meest wenschelijke wijze van aanstelling van zoodanige onderwijzers niet in den weg; werd een algemeene regel gevolgd ten opzichte van de aanwijzing, voor een cursus of een deel van een cursus, of tot wederopzeggens, van onderwijzers bij het herhalingsonderwijs — tal van ongelijkmatigheden, die door de betrokkenen veelal als onbillijkheden worden gevoeld, zouden vanzelf verdwijnen. Dit punt moge speciaal, ook voor de toekomst, in de aandacht van de betrokken besturen worden aanbevolen.

Het wetsontwerp heeft zich op het standpunt gesteld, dat, in tegenstelling met de op verschillende tijden en op verschillende wijze naast elkaar geplaatste tegenwoordige regelingen, in de toekomst zal moeten worden uitgegaan van de gedachte, dat alle ambtenaren, die onder de pensioenregeling zullen vallen, als één gelijke groep behooren te worden beschouwd, onverschillig onder welke benaming of bij welken arbeid of in wiens dienst zij werkzaam zijn. Voor allen zullen dus ook dezelfde regelen gelden, voor zooveel althans niet bijzondere omstandigheden voor een bepaalde groep bepaalde afwijkingen noodig maken. In dat geval zijn voor zulk een groep afwijkende regelen aan de voor allen geldende bepalingen toegevoegd. Maar op den voorgrond staat het geheel der bepalingen dat voor allen zal gelden, terwn'1 afwijkingen voor sommigen alleen op bepaalde, uitdrukkelijk overwogen, gronden zijn opgenomen. Aldus zal met een enkele wet kunnen worden volstaan, die zoowel de eigen pensioenen regelt als die der weduwen en weezen, en zullen in die wet de onderdeelen zooveel mogelijk uniform zijn geregeld.

§ 2. Be voor pensioen in aanmerking komende groepen.

De groote meerderheid der ambtenaren heeft, met name na de uitbreidingen van het jaar 1913, recht op pensioen, voor zich en voor hun weduwen en weezen.

Dé burgerlijke ambtenaren, de gemeenteambtenaren en het onderwijzend personeel bij hooger, middelbaar en lager openbaar en bijzonder onderwijs vormen te zamen een nauw aaneensluitend en tegen de 150 000 personen omvattend geheel. Daarnaast zijn echter verschillende groepen buitengesloten,

Sluiten