Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts op een beperkt aantal personen betrekking hebben. Eigen leven van het waterschap wordt feitelijk niet gedood, als men die regelingen niet ten grondslag legt aan hetgeen in de toekomst moet geschieden. "Waar nu, gelijk gezegd, het stelsel bij de gemeenten niet is aanvaard en het, nu eenmaal de centraliseerende regeling tot uitvoering is gekomen, daar niet meer kan worden hersteld, zou het niet rationeel zijn, het op het veel minder van belang zijnde gebied van het waterschap '*■— en dat geldt ook voor de provincie — weer in te voeren.

Geldt het bij de provincie en de waterschappen, veenschappen en veenpolders lichamen, welker ambtenaren een zuiver publiekrechtelijke taak vervullen en waarbij misschien wèl over de vraag hoe, maar niet over ■ de 'vraag öf pensioenrecht moet worden gegeven, verschil van meening kan bestaan, datzelfde schijnt ook het geval, wanneer, overeenkomstig het wetsvoorstel n°. 315 van 1914/15, tot instelling van intercommunale publiekrechtelijke lichamen met rechtspersoonlijkheid en een eigen publieke taak mocht worden besloten. Natuurlijk kan in het hierbij aangeboden wetsontwerp niet met zooveel woorden van dergelijke, nog niet bestaande, ambtenaren worden gesproken. Maar artikel 5 van het ontwerp geeft den weg aan, waarlangs te zijner tijd die intercommunale ambtenaren tot het recht op pensioen zullen moeten komen.

Die weg zal ook moeten worden gevolgd ten aanzien van de, in aantal en omvang steeds grooter wordende, groepen personen, die alleen formeel geen ambtenaar, zijn, wijl zij niet rechtstreeks door het publiek gezag worden benoemd en worden betaald, maar in de werkelijkheid met ambtenaren geheel op één lijn zijn te stellen. Men denke aan de groote groep van vakonderwijzers en pewaarschoolonderwijzeressen, die niet aan openbare scholen werken; men denke ook b.v. aan ambtenaren, in dienst van intercommunale naamlooze vennootschappen. In die en dergelijke gevallen zal de bijzondere wet die groepen, zoo daaitoe aanleiding is, moeten gelijkstellen met pensioensgerechtigde ambtenaren, waarna zij onder de algemeene wettelijkeregelen komen te vallen. Aan de bijzondere wet moet uiteraard worden overgelaten, te bepalen wanneer er aanleiding is om deze groepen met de eigenlijke ambtenaren gelijkte stellen, en ook of er aanleiding is, voor hen eenige afwijkende regelen te stellen. Tot nog toe wordt, wanneer het personen in dienst van particuliere vereenigingen betreft, gewoonlijk gewacht tot het onderdeel, waarbij zij werkzaam zijn (bijv. het vakonderwijs) zelf bij de wet is geregeld en 'aldus tot een zaak van publiek belang is verklaard. De daaraan ten grondslag liggende gedachte is zeker niet onlogisch. Intusschen kan men nog verder gaan en de hierbedoelde groepen reeds eerder in de pensionneering opnemen, bijv. uit overweging dat dan de medewerking van particulieren aan verschillende onderdeelen van de publieke taak op ruimer schaal wordt gemakkelijk gemaakt. Het zal bijv. kunnen zijn, dat de wet, die subsidie aan bepaalde particuliere vereenigingen met een semi-publiekrechtelijke taak toekent, bepaalt dat de personen, in dienst van dergelijke vereenigingen, voor de pensioenregeling zullen worden beschouwd als ambtenaren en dus ook de subsidie afhankelijk maakt van de voldoening, door de vereeniging, aan de flnancieele en andere verplichtingen welke de Pensioenwet stelt. Hoe dat echter zij — de beslissing daaromtrent zal geval voor geval bij den toekomstigen wetgever berusten, die daarbij een zekere algemeene lijn kan in acht nemen, maar in ieder geval in artikel 5 van het thans aangeboden algemeen ontwerp een grondslag voor zijn optreden zal vinden.

§ 3. De gevallen van pensioen.

Volgens de tegenwoordige wetgeving bestaat na bekomen ontslag slechts recht op pensioen, als bepaalde voorwaarden zijn vervuld. Afgezien van een enkele speciale, in een bijzondere wet voorkomende bepaling J), moet de gewezen ambtenaar, om

!) Men denke b.v. aan artikel 3 lid 4 van de pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913.

Sluiten