Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het doen verdwijnen van geneeskundige keuringen, toch niet worden bereikt.

Is het ontwerp dus van oordeel dat, evenals thans, slechts in bepaalde gevallen na bekomen ontslag een pensioen behoort te worden verleend, ook in de keus van die gevallen meent het vrijwel het bestaande te kunnen volgen. In de eerste plaats komt dan in aanmerking het leeftijdspensioen, het pensioen dat eenvoudig op grond van het bereiken van een bepaalden leeftijd wordt verkregen. Het ontwerp voegt daaraan echter een beperking toe, n.1. dat men althans 7 jaren dienst moet hebben gedaan. Die bepaling is, ter voorkoming van misbruik, noodig, nu een minimum-pensioen van 30 pet. van den grondslag wordt ingevoerd. Zij is voor de betrokken groep ook niet bezwaarlijk. Hij die op den pensioensgerechtigden leeftijd niet 7 jaar te zamen dienst heeft gedaan, kan billijkerwijs niet le verwachting hebben gekoesterd, aan het eind van zijn leven een pensioen te zullen ontvangen.

Voorgesteld wordt den leeftijd van 65 jaar te behouden als dien waarop men recht op pensioen op grond van leeftijd zal hebben. Wel is uit de kringen der ambtenaren de wensch opgegaan om dat recht reeds op 60-jarigen leeftijd te geven, maar, naar het voorkomt bestaat daarvoor geen voldoende grond. De practijk heeft niet aangetoond dat als regel de ambtenaren na het 60ste jaar niet dan tot schade van den dienst of van hen zeiven zouden kunnen dienen. Ook een vergelijking met de arbeiderspensioenen, die niet vroeger dan op het 65ste jaar zullen worden toegekend, moet tot de conclusie leiden dat de thans voor de ambtenaren bestaande leeftijd, waarop het recht op pensioen ontstaat, niet behoort te worden verlaagd. Hen vergete ook niet, dat zulk een verlaging van groote geldelijke gevolgen zou zijn, doordat de pensioenen vijf jaar langer zouden moeten worden verleend en ook zouden moeten worden toegekend aan hen die tusschen hun 60ste en 65ste jaar overlijden, zonder invalide te zijn geweest. Zoo zou, werd op 60 jaar ouderdomspensioen gegeven, voor nieuwe ambtenaren de premie van 10 op ruim 12 percent moeten worden gebracht.

Neemt men aan, dat de ambtenaar in normale gevallen tot zijn 65ste jaar kan dienen, dan sluit dit vanzelf uit een tegemoetkoming aan den mede ge uiten wensch om aan de ambtenaren te vergunnen, op vroeger leeftijd, bijv. 50 of 55 jaar, den dienst desgewenscht te verlaten met pensioen, zij het desnoods een evenredig lager pensioen.

Geheel iets anders echter is het, dat voor sommige betrekkingen het recht op pensioen vroeger kan ingaan dan het 65ste jaar. Dat is reeds in de geldende pensioenwetgeving het geval: artikel 4, letter d van de Burgerlijke Pensioenwet en artikel 3, eerste lid, letter a vam de Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913. De gedachte daarvan is deze, dat er bepaalde betrekkingen zijn, die — zooals laatstgenoemd artikel het uitdrukt — met het oog op de eischen die het behoorlijk waarnemen er van stelt, geacht moeten worden in den regel door personen . van meer gevorderden leeftijd niet of slechts ten koste van te groote inspanning naar eisch te kunnen worden vervuld. Het geldt hier dus betrekkingen die abnormaal veel van het weerstandsvermogen, lichamelijk of geestelijk, vergen en die dus èn in het belang van de gemeenschap èn in dat van de ambtenaren, beter niet na een bepaalden leeftijd worden vervuld.

Het denkbeeld, om hier een vroeger recht op pensioen te verzekeren, is zonder twijfel rationeel. Maar het is in de practijk niet zonder bezwaar gebleken, zoodat ernstig is overwogen, of niet de bepaling zou kunnen vervallen. Maar ten slotte heeft men anders beslist, omdat de bezwaren niet den doorslag mochten geven en de door belanghebbenden verstrekte inlichtingen en gegevens den sterken indruk vestigden, dat schrapping niet zonder overwegend bezwaar zou kunnen geschieden.

De moeilijkheid zit hierin, dat er geen scherpe grens bestaat tusschen de betrekkingen die wèl en die niet aanleiding tot een vervroegd ouderdomspensioen behooren te geven, en voorts in de omstandigheid, dat zoowel bezwaar bestaat tegen het tegenwoordige stelsel, waarbij het pensioen op 55 jaar evenredig lager pleegt

Sluiten