Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij dus die, door physieke of psychische oorzaken, ongeschikt is verklaard voor zijn ambt, heeft recht op pensioen. Hij moet echter geheel ongeschikt zijn. Gedeeltelijke ongeschiktheid kan niet tot een gedeeltelijk pensioen leiden. Zoolang men de invaliditeit opvat als ongeschiktheid voor een bepaald beroep, is dat zeker alleszins logisch. Van tweeën één: de ambtenaar die lichamelijk of geestelijk achteruitgaat, wordt nog geschikt geacht voor de uitoefening van zijn beroep of hij wordt dat niet. Wordt hij het wèl, dan zal misschien bij de regeling zijner werkzaamheden eenigszins rekening worden gehouden met zijn achteruitgaanden lichaamstoestand, maar een vermindering van salaris in verband met dien achteruitgang komt zelden voor. Tot het oogenblik komt, waarop men hem niet meer voor den dienst geschikt acht'en zijn ontslag volgt. Dan houdt zijn bezoldiging geheel op, maar moet ook het geheele pensioen worden toegekend.

Een andere vraag is intusschen, of het pensioen voor intrekking vatbaar zou moeten zijn, als nl. de ambtenaar zijn verloren geschiktheid bleek weer te hebben teruggekregen. Ook die vraag is ontkennend beantwoord, reeds' op grond dat bij &eroepsinvaliditeit het bewijs van dat herstel slechts zeer zelden zal zijn te leveren, n.1. alleen dan, als de betrokkene weer werd geplaatst in zijne oude betrekking, waarvoor hij vroeger ongeschikt was verklaard. Het feit immers, dat den oud-ambtenaar een andere betrekking in dienst van het publiek gezag zou worden opgedragen bewijst nog niet dat de ongeschiktheid voorde vroeger bekleede functie moet worden geacht te zijn verdwenen.

Het vorenstaande geldt voor invaliditeit. Maar een analoge quaestie doet zich voor in een ander geval, n. 1. bij een pensioen, verleend wegens opheffing van een betrekking. Wordt de betrokkene binnen een bepaalden tijd tot een gelijke of gelijkwaardige betrekking benoemd,- dan schijnt het redelijk dat het'pensioen tijdens de vervulling van die nieuwe betrekking blijft rusten, (artikel 62, lid 2).

De afwijzing van een gedeeltelijk pensioen sluit echter niet uit, dat een tijdelijk invaliditeitspensioen zin zou kunnen hebben voor de gevallen dat öf een observatietijdperk wenschelijk wordt geacht om zich met stelligheid over den deflnitieven toestand te kunnen uitspreken, öf de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid bestaat dat de betrokkene na een zekere periode van rust weer voor zijn functie geschikt zal worden. Het ontwerp meent echter, dat in die gevallen de oplossing niet moet worden gezocht langs den weg van een tijdelijk pensioen. Pensioen toch onderstelt ontslag en ontslag brengt als regel mede, § dat de plaats van den ontslagene door een ander zal worden ingenomen. In de evenbedoelde gevallen zal de oplossing — gelijk trouwens tegenwoordig 'ook geschiedt — veeleer daarin moeten worden gezocht, dat men den betrokkene ziekteverlof geeft en over zijn ontslag en pensioen eerst dan beslist, als zijn toestand definitief kan worden vastgesteld. Maar dan is er voor tijdelijk pensioen ook weer geen aanleiding.

Vastgehouden is dus aan het tegenwoordige stelsel: invaliditeitspensioen alleen van blij venden aard, bij lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid voor de verdere vervulling van de door den ambtenaar bekleede betrekking.

Ook in de bepaling van de berekening van het pensioen is vastgehouden aan de geldende regeling, die den vervulden diensttijd en het den laatsten tijd genoten-salaris als elementen* voor de berekening aanneemt. Alleen is, gelijk boven reeds werd vermeld, het jaarlijksche pensioenbedrag op 1/60 in plaats van op Voo gesteld. Over de bepaling van het pensioenbedrag in de afzonderlijke gevallen zal overigens in een afzonderlijke paragraaf nog nader worden gesproken.

Aan het voorgaande moet echter worden toegevoegd dat een uitzondering is gemaakt voor het zgn. pensioen wegens ongeschiktheid in en door "den dienst, — welk begrip belangrijk is verruimd — in zoover daar een bepaald gedeelte wèl voor een bepaalden tijd wordt toegekend en voor geheele of gedeeltelijke intrekking vatbaar is. Zoodanig pensioen toch kan worden beschouwd als te bestaan uit twee gedeelten: een deel, dat is te beschouwen als vergelding van bewezen dienst, het eigenlijk

Sluiten