Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten de gevallen van ouderdom en invaliditeit, niet behoort te volgen na een op eigen verzoek gegeven ontslag. Maar is het anders, als het ontslag niet op eigen aanvrage geschiedde? De tegenwoordige wetgeving heeft op dit punt een tweetal bepalingen, waarop hier de aandacht moge worden gevestigd. In de eerste plaats bepaalt zij dat ieder recht op pensioen vervalt als het ontslag werd gegeven uithoofde van wangedrag en daarmede gelijk te stellen omstandigheden. Er bestaat dan dus nimmer recht op pensioen, al zou de betrokkene ook invalide of 65 jaar zijn. Die bepaling wordt niet onbedenkelijk ' geacht. Trouwens is voor gemeenteambtenaren door het tweede lid van artikel 7 der wet reeds een verzachting van het strenge beginsel aangebracht, die in vele gevallen de hardheid van den regel opheft, maar dan ook die hardheid in een helder licht stelt. De tegenwoordige regeling heeft tot gevolg, dat de administratie niet vrij staat in haar beslissing omtrent een h. i. noodzakelijk ontslag daar aan die beslissing automatisch een rechtsgevolg verbonden is, dat in de verschillende gevallen geheel ongelijk werkt en dat bovendien speciaal ten nadeele komt van het gezin van den gewezen ambtenaar. Daardoor ontstaat veelal de neiging om de ware reden van het ontslag te verbloemen, wat de waarheid bij de administratieve beslissing in het gedrang doet komen en ook al weer ongelijkmatig werkt, daalde eene administratie zich meer door medelijden met den betrokkene zal laten leiden dan de andere. Eindelijk ■— hoewel de regeling theoretisch verdedigbaar is — zal zij in de practijk veelal een gevoel van aangedaan onrecht te voorschijn roepen, en in de gevallen, waarin de strafrechter over den ambtenaar heeft geoordeeld, gewoonlijk veel zwaarder treffen dan de opgelegde straf zelve. Met het oog op dit een en ander is de bepaling in het ontwerp niet overgenomen. Mede echter is niet overgenomen de in de tegenwoordige wetten voorkomende bepaling, dat recht op uitgesteld pensioen bestaat voor een ambtenaar met althans 10 jaren dienst, die is ontslagen niet op eigen verzoek, doch niet wegens wangedrag en dergelijke of wegens opheffing zijner betrekking. Wil men langs den weg van het pensioen in dergelijke gevallen voorzien dan is het zeker weinig rationeel dat den ambtenaar eerst op 65 jaar of bij invaliditeit een pensioen zou worden toegekend. Daaraan heeft de man aanvankelijk niets en een dergelijk pensioen schijnt anderzijds weinig logisch, als hij misschien reeds tal van jaren geen enkel verband met eenig publiekrechtelijk lichaam heeft gehad. De bepaling is daarom wel in het wezen behouden maar anders uitgewerkt. Zij stelt n.1. voor om hem, die een bepaalden wachttijd heeft vervuld en die om andere redenen dan ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor de verdere waarneming van zijn ambt, een pensioen toe te kennen, beregend op den voet van een gewoon invaliditeits-pensioeii, dat dan dadelijk zal ingaan 'na het ontslag. Hier wordt dus een middel van tegemoetkoming gegeven ten behoeve van personen die b.v. door hun karaktereigenschappen ongeschikt worden geacht voor het verder bekleeden van hun ambt. In de vraag, welke waarborgen behooren te worden gegeven opdat zulk een ongeschiktverklaring niet lichtvaardig worde gegeven, .meent het ontwerp zich niet te behoeven verdiepen. Dat raakt veeleer de rechtspositie van den ambtenaar, die niet bij deze gelegenheid moet worden overwogen. Mocht de wetgever tot de conclusie komen, dat ook op andere wijze voor den wegens ongeschiktheid ontslagen ambtenaar behoort te worden gezorgd b.v. door een op anderen grondslag gedachte en op anderen voet geregelde geldelijke uitkeëring, dan zal uiteraard voor een behoorlijk verband tusschen die regeling en het pensioen moeten worden gezorgd.

§ 4. De bepaling van het pensioensbedrag.

Het behoeft weinig betoog dat, naast de vraag, hoe de pensioenslasten moeten worden gedekt, het bedrag van het pensioen het meest belangrijke onderdeel is van de geheele regeling. Toch kan de toelichting op dit punt betrekkelijk kort zijn, omdat het ontwerp de beginselen vasthoudt die ook in de geldende wet

ÉÊf 19

Sluiten