Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het salarisbeslu.it van 1918 aftrek voor bepaalde standplaatsklassen kent, het pensioen steeds zal worden berekend, alsof in een gemeente van de hoogste klasse was gediend. Aan dien wensch kon echter bezwaarlijk worden gevolg gegeven. Daardoor toch zou opnieuw moeten worden aanvaard het juist verlaten stelsel van fictieve grondslagen, dat in de practijk zeer onbevredigend was gebleken. Bovendien gaat het niet wel aan, om de blijvende wettelijke regeling te grondvesten op de regeling van een Koninklijk besluit dat, nauwelijks in werking getreden, weder geheel wordt herzien en dat allerminst een zekere grondslag is gebleken.

Behalve van het bedrag, dat als basis voor de pensioensberekening wordt aangenomen, hangt de grootte van het pensioen af van het percentage van dat bedrag, dat per dienstjaar wordt toegerekend. Thans bedraagt dat 1/60, terwijl wordt voorgesteld het in den vervolge op 1/60 te bepalen. Hoewel de kosten daarvan zeer belangrijk zullen zijn, verdient de verhooging aanbeveling, niet slechts omdat dan een voor de individueele personen beter pensioen wordt gewaarborgd, maar ook omdat aldus verschillende punten voor oplossing vatbaar worden, die anders bezwaarlijk bevredigend zouden kunnen worden opgelost. In een vorige paragraaf is reeds gesproken van het recht op pensioen van sommige groepen op 55-jarigen leeftijd, dat slechts een zeer onvoldoende oplossing zou geven, als men de fractie zoodanig stelde, dat alleen zeer jong in dienst gekomen personen het maximum-pensioen kunnen bereiken. Thans worde nog herinnerd aan hen, die op lateren leeftijd in dienst komen en dus ook op hun 65e jaar nog slechts een betrekkelijk gering aantal dienstjaren tellen. Wil men niet gedwongen zijn om hen tot op hoogen leeftijd in dienst te houden — en noch zij zelf noch de dienst kunnen daarmee zijn gebaat — dan moet men wel overgaan tot een ietwat hooger pensioenberekening per jaar.

In verband met het vorige wordt ook voorgesteld het maximum-percentage iets te verhoogen, door,het van 662/3 op 70 te brengen. In 35 jaar zal dus het hoogste pensioen kunnen worden bereikt.

Los van iederen diensttijd zal voorts dat maximum kunnen worden verkregen in het geval van ongeschiktheid door zielsof lichaamsgebreken die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van den dienst. In dit opzicht sluit het ontwerp zich bij het bestaande aan, al is in de uitwerking eenig verschil, doordat wat thans pensioen heet, wordt gesplitst in een pensioen en een, voor herziening vatbare, verhooging. Ter toelichting daarvan moge worden herinnerd aan hetgeen hierboven is neergeschreven.

Ook in ander opzicht is een wh'ziging gebracht in het bestaande nl. in zoover een minimum-pensioen van 30 pet. van den in aanmerking komenden gemiddelden grondslag is aangenomen. Wil het pensioen van eenige beteekenis zijn, dan moet het niet beneden een zeker percentage dalen, dat althans eenigermate aan de eischen van het levensonderhoud tegemoetkomt. Dat maakt een bijzondere regeling noodig, nog niet zoozeer voor het leeftijdspensioen dat immers vanzelf een behoorlijk bedrag zal beloopen tenzij de betrokkene slechts aan het einde van zijn leven als ambtenaar is werkzaam geweest en er dus moeilijk aanspraak op kan maken, voor het pensioen als een vol ambtenaar te worden beschouwd, als wel voor het invaliditeitspensioen. Ook als een gestrenge keuring aan het in dienst nemen is voorafgegaan, kan toch de invaliditeit spoedig na het in dienst komen optreden. Treedt zij op vóórdat de wachttijd is vervuld, dan zal men den betrokkene zonder pensioen moeten naar huis zenden. Dit kan in bijzondere gevallen ongetwijfeld hard zijn en getracht is daaraan te gemoet te komen door den wachttijd zooveel mogelijk in te krimpen. Maar een wachttijd kan, ter voorkoming van misbruik, niet worden gemist.

Is de wachttijd echter verstreken, dan moet ook een pensioen worden toegekend, dat voor den betrokkene althans iets beteekent. Het ontwerp stelt het op 30 pet. van den in aanmerking komenden grondslag. Het gevolg daarvan is dat het invaliditeitspensioen na 7 dienstjaren gelijk zal zijn aan dat

20

Sluiten