Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienst in die betrekking wordt bij voor de verdere waarneming ongeschikt tengevolge van ziekte. Ook hier doet zich nu het geval voor reeds in flg. 4 in beeld gebracht. Zijn pensioen werd berekend naar s0/60 van de middelsom der gedurende de 5 laatste dienstjaren genoten wedde (f 1680) en bedroeg derhalve f 840 d. w. z. niet meer, dan indien hij ééne der betrekkingen a of b niet had vervuld.

Een tweede bezwaar betrof de diensttijd-regeling. De strekking van het voorschrift van art. 26 was duidelijk. De bedoeling was, dat, wanneer een ambtenaar hetzij uit alle door hem tegelijkertijd bekleede ambten op hetzelfde tijdstip met aanspraak op pensioen werd ontslagen, hetzij uit één ambt werd gepensionneerd terwijl hij ééne of meer andere bleef behouden, de diensttijd in alle vroeger achtereenvolgens bekleede betrekkingen zou worden gevoegd bij dien in de betrekking met den hoogsten grondslag. Zoo moest ook, wanneer de vroegere diensten voor een deel parallel liepen, de tijd, doorgebracht in de laatstbekleede vroegere betrekking, bij de regeling van het pensioen uit de betrekking met den hoogsten pensioensgrondslag als diensttijd in aanmerking komen. In het geval van flg. 6 kwam dus de diensttijd in a bij dien in c en de diensttijd in b bij dien in d. l)

flg. 6. Geen bevredigende regeling gaf echter de

a wet voor gevallen waarin de diensten in een

vroegere betrekking voor een deel samenvallen met die in een later ambt. Zie flg. 7. In deze graphische voorstelling worden twee 0 gevallen behandeld. In geval A moet de be1500 trekking d en de daarin vervulde diensttijd

(stippellijn) buiten beschouwing worden gelaten. In het geval B maakt zij een deel uit 600 van de graphische voorstelling.

A. De ambtenaar, die in dit geval verkeerde, c d had, sedert de aanvaarding van het ambt a tot zijne pensionneering uit het ambt c 25 jaren lang onafgebroken gediend (10 jaren in 1800 750 et, 5 jaren in b en 10 jaren in c). Van de ' overige 10 jaren in o werden 5 jaren gelijktijdig met a en 5 jaren nevens c vervuld. Bij P P zijne pensionneering uit c had deze ambtea flg. 7. naar dus aanspraak op een pensioen van

1 2Veo X f 900 = f 375. Het eerste en

" ]■ ^ het laatste vijftal dienstjaren in de be-

.' trekking o doorgebracht, werden daarvan

(300 . dus als het ware afgesneden en bleven

{ J" onvergolden.

7 B. Ware nu de hier bedoelde ambte-

5 j. ] 1200 naar na zijne pensionneering uit c c ( herplaatst in de betrekking d en ware

i hij na tweejarigen dienst in dat ambt

i ° .1- met aanspraak op pensioen ontslagen,

dan zouden van den diensttijd in b door-

qqq ) . gebracht, nog de twee verwaarloosde

( tijdperken van vijf jaren elk in bereke-

~~ ning zijn gebracht. Uit de betrekking d

500 Tj had hij dan aanspraak gehad op een (1200) !> 2 j. -tweede pensioen berekend naar 12/60 van Jj den (bevestigden) grondslag ad f 1200 p ■ uit b = f 240. Uit deze beide voorbeelden blijkt hoe het stelsel van 1890 leidde tot eene irrationeele versnippering van den diensttijd. Immers, het midden-tijdvak uit de betrekking b werd daaruit genomen om het te plaatsen tusschen, de diensten in twee lager bezoldigde ambten en de beide overige deelen werden in het geval B weder samengevoegd, om als diensttijd in aan-

') Het artikel heeft echter ook wel toepassing gevonden in dien zin, dat bij den diensttijd in de betrekking met den hoogsten pensioensgrondslag — de hoofdbetrekking — de diensttijd in de vroegere hoofdbetrekkingen en bij dien in de nevenbetrekkingen die in de vroegere nevenbetrekkingen werden gevoegd.

Sluiten