Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheidenlijk met f 2000, f 2500 en f 3000 bezoldigd, is werkzaam geweest. Of als hij gelijktijdig meer dan één betrekking heeft vervuld. Hoe zal men dan zijne pensioenaanspraken vaststellen? Voor het geval van opeenvolgende ambtsvervulling is het antwoord spoedig gegeven. De ambtenaar die met tusschenpoozen diende, krijgt over al zijn dienstjaren pensioen, precies gelijk zijn collega met doorloopenden diensttijd, mits de onderbroken dienstjaren slechts voldoen aan de eischen, die art. 43 lid 3 stelt. De vijfenzestigjarige titularis die, 20 jaren geleden, 15 jaar lang één ambt bekleedde en daarna, vóór zijn laatste ontslag, nog eens 5 jaar, heeft dezelfde aanspraak op pensioen als hij die op dezelfde wedde, in één betrekking 20 jaar gefungeerd heeft. De een zoowel als de ander ontvangt 20 maal 2°/0 van de (hoogste) middelsom der pensioensgrondslagen, in den diensttijd genoten. Dat zeggen de artt. 43, lid 3, en 50 met zooveel woorden. Onderbreking van den dienst deert niet, mits slechts — behoudens uitzonderingen — in de laatste zeven jaar vóór het ontslag gedurende driejaren werkelijk dienst is gedaan en de totale diensttijd ten minste zeven jaar bedraagt.

Veel grooter bezwaar geven de gelijktijdige diensten. De vroegere pensioenwetten van 1846, 1890 en 1913 trachtten tevergeefs tot een behoorlijke oplossing te komen. Het ontwerp heeft zijn voordeel gedaan met wat de ervaring onder de oude pensioenwetten leerde. Het bevat een stelsel waarbij, voorzooveel de eischen der practijk het toelaten, wordt uitgegaan van éénheid van dienst.

Dit gaat uit van de gedachte dat ambtenaren, die evenlang gediend hebben en steeds dezelfde wedden hebben genoten, bij ontslag uit den dienst hetzelfde pensioen behooren te ontvangen, onverschillig of de een in één en de andere in meer betrekkingen gediend heeft. Bovendien is vastgehouden aan de gedachte dat als regel het pensioen, behalve van den diensttijd, moet afhangen van de wedde, in den laatsten tijd van de ambtsvervulling genoten. Kort saamgevat, komt het op deze regels neer:

A. Bij het bepalen van het bedrag van een pensioen worden de grondslagen, in de verschillende betrekkingen, gedurende de laatste driejaren (dat is althans regel, art. 50, lid 2) genoten, bijeengevoegd en worden diensttijden, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht, slechts éénmaal geteld (art. 50, lid 3 en art. 52).

B. Als een ambtenaar, die meer dan één betrekking bekleedt, onder aanhouding van één of meer ambten uit een of meer betrekkingen wordt ontslagen, denkt men zich, bij de bepaling van het bedrag van zijn pensioen, de betrekkingen weg, die hij blijft bekleeden (art. 57).

Voor de betrekkingen waaruit hij wordt ontslagen, voert men de berekening uit, op de wijze onder A aangegeven.

C. In de gevallen, onder A en B bedoeld, wordt verondersteld, dat de ambtenaar die gelijktijdig meer dan één betrekking verlaat, aan elk ontslag aanspraak op pensioen ontleent. Indien dit niet het geval is, omdat de voorwaarden van pensioenverleening slechts ten aanzien van één of enkele betrekkingen zijn vervuld, worden de diensten in de andere betrekkingen verwaarloosd (art. 58).

D. Wanneer een met adnhouding van betrekkingen ontslagen ambtenaar, later opnieuw wordt ontslagen, blijven ter bepaling van de aanspraak op pensioen de betrekkingen, waarvoor reeds pensioen is verleend, buiten aanmerking (art. 60, lid 1). Zijn tweede pensioen wordt verder op dezelfde wijze berekend als sub A, B en C is aangegeven. Dit pensioen wordt met het vroeger verleende pensioen tot één pensioen vereenigd, (art. 60, lid 3).

E. ' Treedt een gepensionneerd ambtenaar, die had opgehouden ambtenaar te zijn, opnieuw in dienst, dan zal later bij het verleenen van pensioen geen rekening worden gehouden met de vroeger bekleede betrekkingen (art. 61, lid 1).

Sluiten