Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat van den ambtenaar die ten tijde van de pensionneering ophoudt ambtenaar té zijn, en dat van hem die bij de pension-. neering nog ambten aanhoudt.

Wat den gepensionneerde betreft, die ambtenaar blijft, schrijft art. 60 voor, bij de bepaling van zijn pensioenaanspraken ter gelegenheid van een volgend ontslag de reeds met pensioen vergolden diensten buiten rekening te laten. Dit ligt in de rede. Stilzwijgend geeft het ontwerp daarmede echter tevens te kennen, dat alle diensttijden en grondslagen, verbonden aan betrekkingen die bij de regeling van het eerste pensioen verwaarloosd moesten worden (artt. 67 en 58), bij de vaststelling van het nieuwe pensioen medetellen. De niet met pensioen vergolden oude en nieuwe diensten worden naar do gewone regelen vereenigd. De - artt. 43, 50, 52, 57 en 68 gelden hier n.1. ook, voor zoover niet het tegendeel is bepaald. Een ambtenaar fungeerde b.v. sinds 1890 in A (f1000), sinds 1900 in B (f 800), sinds 1910 in C (f 600); vervolgens kreeg hij in 1911 een nieuwe betrekking D (f 900). In 1910 uit A wegens ongeschiktheid door ziekte (art. 43 lid lc) ontslagen, ontvangt hij — aangenomen dat hij B vrijwillig opgeeft en C aanhoudt, — een pensioen van 20 maal 2 pet, van f 1000 d. i. f 400. In 1919 op 65-jarigen leeftijd C en D verlatend, zal hij (1919 1900 = 19) maal 2 pet. van (f 600 + f 900 = f 1500) d. i. f 570 als nieuw pensioen ontvangen. De diensttijd in B vervuld, komt hem dus nog ten goede. Zelfs zou, als de wedde in B zoo hoog geweest was dat het gemiddelde van de grondslagen, over den totalen diensttijd van 19 jaar berekend, het gemiddelde der laatste drie jaar (f 1500) overschreed, de aan deze betrekking (B) veibonden grondslag zijn pensioen ook nog hebben kunnen opvoeren boven f 570 (art. 50).

Minder gunstig behandelt het ontwerp den gepensionneerde, die ten gevolge van het ontslag, dat hem aanspraak op pensioen geeft, ophoudt ambtenaar te zijn. Zulk een oud-ambtenaar heeft zijn dienstverband met de overheid volkomen verbroken. Daarom wordt, indien hij later weer ambten verwerft, zijn aanspraak op nieuw pensioen — met verwaarloozing van alle vroegere diensten zonder onderscheid — uitsluitend bepaald op grond van de werkzaamheden, na de pensionneering verricht. Diensttijden en grondslagen, verbonden aan' betrekkingen van vóór de pensionneering dateerend, worden veronachtzaamd, ook al mag over die betrekkingen niet pensioen zijn verleend. Er is bij de vroegere pensionneering met hem finaal afgerekend. Alleen op diensten in nieuwe betrekkingen bewezen, wordt daarom gelet. Het tweede of volgend pensioen wordt daarom hier ook als een zelfstandig pensioen toegelegd. Van cumulatie van minimumpensioen wil het ontwerp ook in dit geval uiteraard niet weten (art. 61).

Cumulatie van minimumpensioenen moet worden vermeden. Daarom bepaalt art. 60, lid 2, dat bij de regeling van het nieuwe pensioen het voorschrift omtrent het minimale pensioenbedrag (30 pet.) buiten toepassing blijft.

Met het vroegere pensioen wordt het nieuwe vereenigd (art. 60 lid 3). Omtrent het bedrag van dit vereenigde pensioen geeft art. 60, lid 4, eindelijk nog een belangrijk voorschrift. Een ambtenaar mag in geen geval nadeel lijden, omdat hij, bij zijn ontslag, eene betrekking aanhoudt. Wie in een of meer ambten doordient, moet, als hij definitief ophoudt ambtenaar te zijn, niet in slechter conditie komen te verkeeren, dan waarin hij zich zou bevonden hebben, indien hij bij het eerste ontslag al zijne betrekkingen had verlaten. Deze gedachte is in art. 60, lid 4, uitgesproken. Aan den ambtenaar die op 65-jarigen leeftijd, na 30 jaar dienst in A (f 4000) en 10 jaar dienst in B (f 2000), uit A en vervolgens op 70-jarigen leeftijd (na 15 jaar dienst) uit B ontslag neemt, wordt dus ten slotte niet een vereenigd pensioen van. 30 maal 2 pet. van f4000-f-15 maal 2 pet. van f 2000, d. i. f 2400 -f f 600 = f 3000, maar van 30 maal 2 pet. van f 6000, d. i. f 3600 toegekend.

De gelijktijdige bekleeding van onderscheiden betrekkingen verplicht eindelijk tot eene bijzondere voorziening t. a. v. het verhoogde invaliditeitspensioen. Wie om ziekte of gebreken, zgn. „in en door den dienst verkregen", pensioen ontvangt,

Sluiten