Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geniet eventueel boven het pensioen (2 pet. per dienstjaar over grondslag met minimum van 30 pet.) een verhooging (artt. 43 en 59).

Te zamen bedragen pensioen en verhooging 70 pet. van de middelsom der grondslagen, waarover het pensioen wordt berekend. De toepassing van dit voorschrift geeft tot geenerlei moeilijkheid aanleiding, indien de invalide enkel ontslag bekomt uit de betrekking, waarin het ongeval hem trof. Aan dat ambt was b. v. een grondslag van f 3000 verbonden. Zijn diensttijd is 20 jaar. Zijn pensioen bedraagt dus 20 maal 2 pet. van f 3000, d. i. f 1200; de verhooging f 2100 — f 1200 = f900. Maar de betrokkene heeft misschien — hij was 65 jaar — tegelijk nog een tweede betrekking (grondslag f 2000) opgegeven. Dan wordt zijn pensioen vastgesteld over f 5000 (art. 50). Nu bestaat er niet de minste grond om hem over dezen geheelen vereenigden grondslag een verhooging toe te kennen. Daarom beperkt art. 59, lid 2, de verhooging tot een evenredig deel van dien grondslag. Niet over de volle f 5000, maar over een fractie daarvan (over 3/6 d. i. over f 3000) zal de invalide een toeslag tot 70 pet. ontvangen.

De grootte van deze fractie wordt niet bepaald door de wijze waarop de wedden, verbonden aan de verlaten betrekkingen (voor zoover zij niet om art. 58 buiten aanmerking blijven), tot elkander staan, maar door de manier waarop de middelsommen der in die betrekkingen genoten grondslagen dat doen. Dat kan verschil maken, want als de wedden in die betrekkingen in den loop der jaren verhoogd of verlaagd zijn, kunnen zich de middelsommen der grondslagen geheel anders verhouden dan de wedden, die de ambtenaar ten tijde van het ontslag ontvangt.

§ 5. De pensioensbijdrage.

Op theoretische gronden — met name op grond van de stelling dat pensioen als „uitgesteld loon" is te beschouwen — is wel verdedigd, dat van de ambtenaren voor hun eigen pensioen geen premie behoort te worden gevorderd. Waar echter het ontwerp die gronden niet heeft aanvaard, doch in het pensioen veeleer het resultaat van samenwerking van publiek gezag en ambtenaar wordt gezien om dezen bij ouderdom en invaliditeit een voldoende levensonderhoud te verzekeren, zou een premieheffing voor het pensioen wel gerechtvaardigd zijn geweest. Echter heeft men gemeend, dat het ten slotte van practische overwegingen moest afhangen, of inderdaad tot premieheffing zou worden besloten. Op practische gronden dan wordt voorgesteld, dat van de ambtenaren geen premie zal worden verlangd. Dit lijkt intusschen een meer principieele afwijking dan het inderdaad is. Reeds in 1890 stelde de Minister Godin de Beaufobt het premievrij eigen pensioen voor de burgerlijke ambtenaren voor, al is dat toenmaals door de Staten-Generaal dan ook niet aanvaard. Tot nog toe is premie geheven, een premie echter, die van den aanvang af te laag was. De burgerlijke ambtenaren betalen thans gemiddeld slechts ongeveer ys van hun pensioen zelf, en de Staat legt er s/3 bij. Voor de weduwen- en weezenpensioenen is het anders. Behoudens den overgangstoestand worden die inderdaad ten volle betaald door dé ambtenaren. Maar dat zal anders worden, als de voorstellen van het wetsontwerp tot verwezenlijking komen. Dan zal, blijkens het bijgevoegde flnancieele verslag, in totaal 10 -f- 6 ]/„ % van de wedde moeten worden gehëven, en daarvan kan practisch geen sprake zijn. Toch zou zulk een heffing noodig zijn, als pensioenen worden verleend, die het ontwerp voorstelt en ook noodzakelijk acht, zal het doel: waarborging van levensonderhoud na pensionneering, worden bereikt. Do vraag is dus niet: zal de ambtenaar al of niet het pensioen voor zich en zijn nagelaten betrekkingen betalen? maar: zal hij aan dat pensioen al dan niet bijdragen? Gelijk uit het evengezegde voortvloeit, zou die vraag in beginsel bevestigend kunnen worden beantwoord. De ambtenaar mag voor deze verzorging van zich zelf en zijn vrouw en kinderen iets over hebben. Maar het zal moeilijk zijn om den aftrek door te voeren, nü verschillende gemeenten en ook provinciën in den laatsten tijd het

Sluiten