Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

premievrij pensioen toepassen, dat, naar van alle zijden gebleken is, als een krachtige wensch in vrijwel het geheele ambtenarencorps leeft. Die wensch is zeker voor een deel gevoed door het tegenwoordig, althans voor de burgerlijke ambtenaren, bestaande stelsel van afloopende korting. Daarbij wordt de groote druk op enkele jaren gelegd, hetgeen nadeelig is èn voor ambtenaren, die in" die jaren moeilijk kunnen rondkomen èn voor het publiek gezag, dat zich niet zelden deswege goede sollicitanten ziet ontgaan en anderzijds zich voor een krachtiger aandrang om salarisverhooging geplaatst ziet dan anders het geval zou zijn. Maar ook een doorloopende korting, gelijk thans b.v. voor de onderwijzers is bepaald en in de pensioenwet voor de gemeenteambtenaren is neergelegd, ontmoet bezwaar. Met name nu het besluit is genomen, om den werkgever, en hem alleen, voor de bijdrage van de invaliditeits- en ouderdomsverzekering van de arbeiders te doen opkomen, rijst de vraag, hoe een ander stelsel te verdedigen is voor de ambtenaren. Overigens moet de beteekenis van de formeele regeling van de betaling der bijdrage niet worden overschat. Ten slotte is het niet de vraag, wie de premie betaalt, maar wie haar draagt. En nu wordt aanstonds toegegeven, dat practisch niet zal geschieden wat in het afgetrokkene zeer wel denkbaar zou zijn: dat de salarissen der ambtenaren werden verminderd met het percentage, dat thans voor het pensioen door de betrokkenen zeiven wordt betaald. Maar wèl staat vast, dat het premievrije pensioen een volgende weddeverhooging, die met de pensioenbijdrage, indien deze gevorderd werd, ongeveer zou gelijk staan, onnoodig zal maken en dat dus vermoedelijk op den duur hetgeen de pensionneering aan de publiekrechtelijke corporaties voortaan meer zal kosten,. tot op zekere hoogte zal worden opgewogen door lager uitgaven voor salarieering. Aldus bezien, is de quaestie van pensioensbijdrage of niet, een salarisquaestie. In dat licht beschouwd, is er geen beginsel van pensioenrecht meer mee gemoeid, en beteekent het niet vorderen van bijdrage van de ambtenaren een groote vereenvoudiging. De wetsbepalingen kunnen er door worden vereenvoudigd, maar, wat veel meer van beteekenis is, de practijk zal een belangrijke vereenvoudiging ondergaan. Niet meer zal het noodig zijn, dat vóór de berekening van iederen weddetermijn nauwkeurig wordt becijferd, welk bedrag wegens premie daarvan moet worden afgetrokken, en niet meer zal het noodig zijn, dat alle individueel berekende premiën bij het fonds worden gestort en worden gecontroleerd. Dit zal een groote besparing van werk, en daardoor van kosten, tengevolge hebben. Inderdaad is het toch ook wel wat vreemd dat over de geheele linie wedden worden bepaald en door hetzelfde lichaam aanstonds van die bepaalde wedden weer een bedrag wordt afgehouden. Die overweging leidt ook tot het niet verhalen van bijdrage wegens pensioen voor de nagelaten betrekkingen. Anders toch zou de beoogde vereenvoudiging practisch van weinig beteekenis zijn.

Door deze —• zuiver practische — overwegingen is men er toe gekomen, een regeling voor te stellen, waarbij verhaal van een deel der'bijdrage op de traktementen der ambtenaren geen plaats meer bekleedt. Voor de geldelijke gevolgen zie men het aan het ontwerp toegevoegde financieel verslag. Gemeend is, dat de daar vermelde bedragen ten slotte door de gezamenlijke in aanmerking komende organen kunnen worden gedragen. Overigens bedenke men, dat ook bij premieheffing van de ambtenaren toch het grootste deel door die organen zou moeten worden opgebracht.

Natuurlijk wil dat allerminst zeggen, dat voor de pensioenen in den vervolge niet meer zou moeten worden betaald. Integendeel, de voorgestelde regeling streeft er naar om de „intering", die thans bestaat, voor den vervolge te doen ophouden en het pensioenfonds alles te doen krijgen wat (afgezien dan van het thans wegens het verleden reeds bestaande tekort) het noodig heeft om alle toekomstige lasten te kunnen dragen. Dit geschiedt door de bepaling, dat de openbare lichamen, in welker dienst de ambtenaren zijn, de pensioenslasten moeten dragen, in den vorm van een jaarlijksche bijdrage voor hun gezamenlijk personeel (artikel 36). Natuurlijk behoeft bij dat stelsel niet

Sluiten