Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarmede wordt teruggegaan naar den toestand van vóór 1890 in zoover ook toen voor de- burgerlijke ambtenaren een pensioenfonds bestond, dat in 1890 bij artikel 46 van de Burgerlijke Pensioenwet werd opgeheven. Er zal echter verschil zijn met den vroegeren staat van zaken, in zoover toenmaals verschillende pensioenfondsen bestonden, niet slechts voor ambtenaren en voor hun weduwen en weezen, maar ook voor verschillende categorieën van belanghebbenden, terwijl thans het voorstel wordt gedaan om alles samen te smelten.

De oplossing die in 1890 voor de burgerlijke ambtenaren werd aanvaard, wordt thans vrij algemeen als minder juist beschouwd. Die onjuistheid zit eigenlijk nog niet zoozeer in de omstandigheid dat men het fonds ophief en de lasten recMstreeks op de Staatsbegrooting liet drukken, als wel hierin dat geen afzonderlijke boeking van de inkomsten en uitgaven der pensioenen plaats had en met de contante waarde van baten en lasten geen rekening werd gehouden. Hetgeen aan premiën inkwam, werd, over de verschillende hoofdstukken van de begrooting verspreid, als gewone inkomst geboekt en de pensioenen, die in het begrootingsjaar werden betaald, als uitgaaf daartegenover gesteld. Het verschil werd eenvoudig gebracht ten bate of ten laste van den gewonen dienst. Het behoeft weinig betoog dat die wijze van handelen niet juist is, afgezien dan nog van de eerst later gebleken omstandigheid, dat de premies op zich zelf bijlange na niet voldoende waren om de pensioenslasten te dekken. In den aanvang, als weinig pensioenen worden betaald, zal telken jare een overschot ontstaan, dat niet voor latere tijden wordt gereserveerd maar wordt verbruikt. Was het nu dat men die overschotten had gebruikt om b.v. Staatsschuld in te koopen of ze te doen strekken in mindering van door den Staat aan te gane geldleeningen, er zou geen bezwaar tegen kunnen zijn gemaakt. Het vermogen van den Staat, voorzoover het door nog niet aanstonds noodige pensioenpremies was verkregen, zou zijn gebezigd om de Staatsschuld te verminderen of om anders noodige stijging van die schuld te voorkomen. Maar — behoudens uitzonderingen als die van de wet van 5 Juli 1905 (Staatsblad n°. 155), waarbij zoowel de jaarlijksche overschotten van de bijdragen der onderwijzers als bijdragen van den Staat werden gebezigd tot inkoop en amortisatie van Staatsschuld, —.is dat niet geschied. Men heeft als het ware uit de dagelijksche kas geleefd. Met het gevolg dat men er geen oog voor heeft gehad, dat steeds te weinig is bijgedragen om alle lasten behoorlijk te dekken.

Anders staat de zaak bij de tweede groote groep, die thans onder een pensioenwet valt, de gemeenteambtenaren. Toen men hen in 1913 onder de Rijkspensionneering bracht, heeft men niet den weg van 1890 gevolgd, maar een fonds ingesteld waarin alle pensioen-inkomsten zouden vloeien en waaruit alle uitgaven voor het pensioen zouden worden gedaan, terwijl de bijdragen en de inkoopsommen zoodanig werden gesteld dat, als de onderstellingen waarop men zich grondde, zouden blijken uit te komen, het fonds zich zelf juist zou bedruipen. Of die onderstellingen juist zijn geweest, kan eerst blijken bij de eerste balans die van het fonds zal worden opgemaakt. Maar, ook als dan blijkt dat men in 1913 te optimistisch of te pessimistisch is geweest, in elk geval was de opzet van dat jaar juist.

Men staat thans dus voor dezen toestand: voor ongeveer de helft van de ambtenaren bestaat geen fonds noch een regeling die intering voorkomt. Voor de andere helft echter bestaat wèl een fonds. Bovendien bestaan voor de weduwen- en weezenpensioenen fondsen, en wel verschillende voor de burgerlijke ambtenaren en met hen gelijkgestelden, en voor de gemeenteambtenaren. Siiiii

In die omstandigheden, en waar het wel vaststaat dat een maatregel moet worden genomen, die verdere intering bij de thans reeds onder de pensioenregeling vallende groepen voorkomt en die bovendien verhindert dat bij de nieuw onder de pensionneering te brengen groepen intering ontstaat, schijnt het aangewezen, ook op dat deel van het terrein waar het fonds dat • vóór 1890 bestond, is opgeheven, opnieuw een pensioenfonds in te stellen. Noch de omstandigheid dat aldus

Sluiten