Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontslag is genaderd of verleend en dat het dan, in verband met de noodzakelijke procedure, niet mogelijk is, op het tijdstip van het ontslag met de vaststelling van het pensioen gereed te zyn, terwjjl toch het niet tijdig ontvangen van den eersten pensioenstermijn dan veelal aan een gebrekkige methode van uitbetaling wordt geweten. Maar aan den anderen kant staat toch ook vast dat opzettelijk en welbewust er naar kan en moet worden gestreefd om de pensioenstermijnen zoo vlug mogelijk te kunnen beschikbaar stellen.'Daarvoor is in-de eerste plaats noodig dat bij de ambtenaren zeiven het besef wordt gekweekt dat zij in hun eigen belang hun pensioen moeten aanvragen zoo spoedig hun aanstaand ontslag vaststaat. In de tweede plaats zal daartoe medewerken de vluggere, meer overzichtelijke, pensioensprocedure, die het ontwerp voorstelt. En in de derde plaats zal noodig zijn een wijze van uitbetaling van het verleende pensioen, die het mogelijk maakt dat telkens een termijn zoo spoedig wordt betaald als het recht daarop is verkregen, en die voorts het verkrijgen van de pensioenstermijnen aan zoo weinig mogelijke en zoo weinig hinderlijk mogelijke formaliteiten bindt.

In het belang van de gepension neerden wordt voorts ten aanzien van de uitbetaling nog deze regeling voorgesteld, dat de voldoening van het pensioen bij vooruitbetaling zal geschieden, en.dat maandelijksche betaling zal plaats hebben. Voor de eerste maal zal dus pensioen worden uitbetaald over de eerste maand, waarover het pensioen loopt of, mocht die uitbetaling plaats hebben na den dag van ingang van het pensioen, tot het einde van den loopenden maandelijkschen termijn. Daardoor zal de ambtenaar, voor zooveel hij geen of onvoldoende eigen middelen bezit, buiten de noodzakelijkheid blijven om geld op te nemen, ten einde door den overgangstijd heen te komen. In verband daarmede kunnen ook vervallen de thans nog bestaande uitzonderingsbepalingen, die onder zekere voorwaarden een voorschot op het pensioen toelaten. De wijziging, welke wordt voorgesteld, zou echter het nadeel hebben, dat bij het overlijden van den gepensionneerde niets meer wegens pensioen is te vorderen, zoodat wellicht moeilijkheden naar aanleiding van de begrafeniskosten en dergelijke zouden worden ondervonden. Met het oog daarop wordt voorgesteld, het pensioen na overlijden nog te doen volgen door een toelage gelijk aan één maandelijksche pensioensuitkeering. (art. 103).

§ 8. Van het weduwen- en weezenpensioen.

Meer dan bij het eigen pensioen der ambtenaren, is bij het weduwen- en weezenpensioen de te volgen weg aangewezen. De daaromtrent in de verschillende wetten bestaande bepalingen hebben meer onderlinge 'overeenkomst en zijn minder door de betrokkenen aangevochten. Het werd daarom voor de hand liggend geacht, — afgezien van de vrijstelling van premie — zooveel mogelijk het bestaande te handhaven. D.w.z. de groote lynen daarvan. "Want natuurlijk zijn op onderdeelen ook hier wel afwijkingen bepleit, die verbeteringen schijnen, terwijl sommige bepalingen ook reeds verandering hebben te ondergaan, in verband met hetgeen op gelijksoortige punten voor de eigen pensioenen wordt voorgesteld.

De groepen van hen, wier na te laten betrekkingen uitzicht hebben op pensioen, blijven in beginsel ongewijzigd. Waar echter dat beginsel medebrengt dat — behoudens speciale uitzonderingen — vrouwen en kinderen recht hebben op pensioen, als de overleden man tot de pensioensgerechtigden of pensioentrekkers behoorde, volgt uit de uitbreiding van de groep dezer laatsten vanzelf dat ook het terrein der weduwen- en weezenpensioenen wordt uitgebreid. Zoo zullen ook weduwen en weezen van provinciale ambtenaren recht op pensioen ten laste van het fonds krijgen en evenzeer de nagelaten betrekkingen van waterschapsambtenaren, als deze laatsten zeiven voor de toepassing van de Pensioenwet als „ambtenaren" worden beschouwd.

De vraag kan worden gesteld, of het bovenbedoelde beginsel

Sluiten