Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zaak van hem, die de wedden zal regelen. Maar vast staat dat het pensioen in elk geval aanstonds na het overlijden ingaat, ook als dan de weddebetaling nog niet mocht ophouden.

Dat ook bij het weduwen- en weezenpensioen vooruitbetaling, en maandelijksche betaling, zal plaatsvinden, behoeft na het dienaangaande voor de eigen pensioenen gezegde weinig betoog.

Het weduwenpensioen zal in het algemeen blijven loopen tot het overlijden van de rechthebbende. Daarop is echter een uitzondering behouden, die wel is aangevochten, maar die het ontwerp toch redelijk acht. Het is deze, dat het pensioen zal blijven rusten zoolang een opvolgend huwelijk van de gepensionneerde duurt. Dié bepaling schijnt rationeel omdat de vrouw die hertrouwt, in het inkomen van haar man haar bron van levensonderhoud behoort te vinden. Zelfs zou te vreezen staan dat een regeling die het pensioen ook tijdens een volgend huwelijk liet doorloopen, aan de belangen van de betrokken groep niet zou ten goede komen, maar veeleer verhoudingen zou in het leven roepen, die uit zedelijk oogpunt zouden moeten worden afgekeurd, waarin n.1. de man op het uit pensioen verkregen inkomen van de vrouw zou teren. Dit gevaar schijnt ernstiger dan het andere, dat samenleven buiten huwelijk zal plaats vinden. Daarbij komt dat op de gelden van het fonds reeds z'óóveel beslag moet worden gelegd dat onnoodige liberaliteiten behooren te worden vermeden. Een pensioen aan de weder gehuwde vrouw zou tot de te vermijden vrijgevigheden moeten worden gerekend. Bij het standpunt dat het ontweip inneemt kan ook van schending van een eenmaal verkregen recht geen sprake zijn. De wet toch geeft, in den gedachtengang van het ontwerp, geen absoluut recht op weduwenpensioen na het overlijden van den ambtenaar, maar slechts een recht in de gevallen, naar de bepalingen en met de uitzonderingen, in haar artikelen nedergelegd. In dezen gedachtengang is ook niet overgenomen de bepaling dat hij die zonder pensioen of wachtgeld den ambtelijken dienst verlaat, het recht op pensioen voor zijn nagelaten betrekkingen kan behouden. Van een kosteloos rcserveeren zal uiteraard geen sprake kunnen zijn. En liet men be talen, dan zou dit moeten zijn hetgeen de doorloopende verzekering inderdaad aan bijdrage zou moeten opbrengen om, in verband met het risico, ten volle gedekt te zijn. Maar dan zou een verzekeringsmaatschappij even goed hulp kunnen bieden.

Ten aanzien van het stelsel, waarnaar de noodige middelen aan het fonds zullen worden toegevoegd, moge naar het boven omtrent dat onderwerp voor de eigen pensioenen der ambtenaren gezegde ^worden verwezen.

Mede is reeds gesproken over het pensioenfonds dat zal worden gehandhaafd en algemeen gemaakt en waarin alle bijdragen, ook wegens de pensionneering van weduwen en weezen, zullen worden gestort. Te dien aanzien moge worden herinnerd aan hetgeen in § 6 is geschreven.

§ 9. Overgangs- en slotbepalingen.

De ontworpen pensioenregeling is over het algemeen veel milder dan de bestaande pensioenwetten. In enkele opzichten zijn deze echter vrijgeviger. De betrokken bepalingen zijn die volgens welke:

A. achteruitgang in wedde, hetzij door ■ weddeverlaging, hetzij door herplaatsing op eene lagere wedde, of door ontslag uit één of meer van twee of meer gelijktijdig vervulde betrekkingen, niet gepaard gaat met achteruitgang in pensioensgrondslag, tenzij de belanghebbende het tegendeel verlangt (voor de onderwijzers draagt de regeling een meer beperkt karakter); |'„'V}

B. het pensioen van onderwijzers bij het openbaar of het bijzonder lager onderwijs berekend wordt naar de wedde over het laatste dienstjaar;

C. belanghebbenden die zonder pensioen of wachtgeld worden ontslagen, zich voor hunne vrouw en kinderen het behoud van pensioensaanspraken kunnen verzekeren.

Sluiten