Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ Voorts vindt men in het wetsontwerp in tegenstelling met de Burgerlijke Pensioenwet (art. 3, tweede lid), de Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren (art. 3, tweede lid) en de Pensioenwei voor de bijzondere leeraren (art. 3, vierde lid d), niet het recht op uitgesteld pensioen, voor den na ten minste •tienjarigen dienst niet op verzoek ontslagen ambtenaar of leeraar bij het bijzonder hooger of middelbaar onderwijs, maar wèl geeft de nieuwe regeling den ambtenaar die na een diensttijd van ten minste zeven jaren wegens niet door invaliditeit veroorzaakte ongeschiktheid voor'het verder waarnemen van zijne betrekking, wordt ontslagen — en dit is het ontslag niet op verzoek, hiervoren bedoeld — recht op pensioen terstond ingaande met het ontslag. Het bestaande recht op pensioen in de toekomst staat dus achter bij het nieuwe en het in de plaats treden van het tweede voor het eerste beteekent derhalve niet verlies, maar winst voor den ambtenaar.

De overgangsbepalingen moeten den oud-ambtenaar, die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet uitzicht heeft op pensioen op 65-jarigen leeftijd, of bij het intreden van invaliditeit en den oud-ambtenaar die van de hiervoren sub C bedoelde bevoegdheid gebruik maakte, het behoud van dat uitzicht, respectievelijk van pensioensaanspraken voor zijne weduwe en wezen waarborgen. Hiertoe strekken lit. a van I, van IH, van IV, van VI, van Vm en van IX én lit. b. van VI, van VIII en van IX van art. 154.

Voorts moeten de overgangsbepalingen er tegen waken, dat ambtenaren, in dienst op bovenbedoeld tijdstip, zoowel van de vrijgeviger bepalingen der' bestaande wetten als van die der nieuwe regeling de vruchten plukken. Deze taak vervullen de artt, 134 en 138.

Aan den anderen kant behoort den op het tijdstip van het in werking treden van deze wet in dienst zijnden ambtenaar die aan de regeling, hierboven onder A vermeld, een pensioensgrondslag dankt, hooger dan zijne wedde en die over dien grondslag, naar den bestaanden maatstaf van berekening, een hooger pensioen zou ontvangen dan over de wedde, of over het totaal der wedden op het tijdstip van ingang van zijn ontslag volgens de nieuwe wijze van berekening, het genot van het hooger pensioen te worden verzekerd.

Een overeenkomstige waarborg moet worden gegeven aan de weduwen en weezen .van ambtenaren of van gepensionneerde ambtenaren, bedoeld in art. 9 onder a, wier laatste pensioensgrondslag hooger was dan hunne laatste wedde, zoomede aan de weduwen en weezen van ambtenaren wier totaal aan pensioensgrondslagen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet hooger was dan het gezamenlijk bedrag der wedden op het tijdstip van het overlijden.

In een en ander voorzien litt. b van I, van IH en van IV en litt. a van VI, van VIII en van IX van art. 154.

Eene regeling in gelijke richting, doch van ruimer strekking bevat, met het oog op de hiervoren onder B bedoelde bepalingen, voor de onderwijzers bij het openbaar of het bijzonder lager onderwijs, art. 154, Vet.

ï'3gf~,. Artikelen.

Artikel 1. Ten aanzien van dit artikel mogen worden verwezen naar § 6 van het algemeene deel dezer toelichting.

Artikel 2. De verleening van alle pensioenen aan ambtenaren en met hen gelijkgestelden zal geschieden ten laste van het ééne pensioenfonds. In de verdere artikelen van de wet, met name in den Vijfden Titel, wordt bepaald, hoe het fonds aan de noodige inkomsten zal komen.

Het fonds zal ook moeten opkomen voor dienstjaren, die reeds bij zijn oprichting waren verstreken. In verband daarmede zullen de bestaande fondsen (voor de gemeenteambtenaren en hun weduwen en weezen en voor de weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren) in het nieuwe fonds moeten overgaan (artikel 146) en zal voor een eventueel daarop blijkend tekort, alsmede voor het tekort dat ter zake van de ambtenaren

29

Sluiten