Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheele land wenschelijk of mogelijk te maken. Een gelijk standpunt kan worden ingenomen ten aanzien van Gedeputeerde Staten der provinciën en ten aanzien van de leden van besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders. (Men zie ook art. 145).

Het standpunt dat het wetsontwerp overigens inneemt ten aanzien van personen, in dienst van een waterschap, veenschap of veenpolder, is reeds in § 2 van het algemeene deel dezer Toelichting uiteengezet.

Wil het ontwerp bevorderen dat zooveel mogelijk allen, die in min of meer duurzame betrekking tot het publiek gezag hebben gestaan,. pensioensgerechtigd worden, aan den anderen kant moet worden gezoigd dat personen in geheel los dienstverband .buiten iedere bemoeiing met de pensioen wetgeving vallen. Door hun lossen dienst, die, anders dan bij tijdelijken dienst, niet pleegt over te gaan in een vast dienstveiband, aanstonds onder de pensioenwetgeving te doen vallen, zou niet andors worden bereikt dan een stijving van het pensioenfonds, zonder dat daartegenover stond een evenredige kans op pensioen. Overigens moet ook het publiekgezag vrij zijn van pensioensbemoeiingen ten aanzien van hen, die misschien slechts enkele dagen in zijn dienst zullen blijven. Daarom zijn personen in lossen dienst buiten de wet gesteld. Bitteraard echter zal die dienst, om hem te onderscheiden van tijdelijken dienst, moeten worden omschreven en, wil de uitzondering niet tot ongerechtvaardigd nadeel voor de betrokkenen leiden, eng moeten worden omschreven. Daarom wordt bepaald dat van lossen dienst slechts sprake is, als men is aangenomen als los werker en bovendien de dienstbetrekking slechts 3 maanden of korter duurt. Met het oog op de eischen der practijk is bij dit laatste echter in bepaalde gevallen en onder bepaalde waarborgen eenige uitbreiding toegelaten (tweede lid, tweede volzin). Was de bedoeling niet om een geheel los dienstverband te doen ontstaan, dan is men aanstonds ambtenaar in den zin der wet. En was de bedoeling het wèl, maar blijft men langer dan 3 maanden feitelijk in dienst, dan wordt men — behoudens de evenbedoelde mogelijke uitbreiding — niettemin als ambtenaar volgens de pensioenwet beschouwd en wel van den aanvang van de dienstbetrekking af. Achteraf blijkt dan één van de beide eischen voor lossen dienst niet aanwezig te zijn geweest. Men krijgt dan ook nog een aanstelling, ingaande met den dag van indienststelling (art. 28, lid 2, in verband met artikel 3, lid 4).

Om mogelijk misbruik te ontgaan, wordt nog bepaald dat een korte onderbreking niet zal in aanmerking komen ingeval het regelmatig verrichte diensten betreft. Zou iemand telkens voor 3 maanden in dienst worden genomen om dan voor enkele maanden te worden ontslagen, dan zal hij niettemin pensioengerechtigd worden als hij zijn diensten regelmatig verricht. Wanneer zich dit, waarschijnlijk zeldzame, geval zal voordoen, kan ter beoordeeling veilig aan den Pensioenraad en den beroepsrechter worden overgelaten.

Artikel 4. Dit artikel sluit geheel aan bij hetgeen thans ten aanzien van bijzondere leeraren (Wet van 25 Juni 1913' Staatsblad 298) en bijzondere onderwijzers (art. 60 v.v. Wet op het Lager Onderwijs) is bepaald. Alleen zijn ook de beambten bij de bijzondere onder wijsinrick tin gen opgenomen.

Artikel 5. Wettelijke gelijkstellingen, als in dit artikel bedoeld, bestaan thans reeds voor de personen, werkzaam aan de Rijksverzekeringsbank (Wet van 29 April 1901 Staatsblad n°. 91 ) en voor hen die bij instellingen met een gemeentelijk karakter werkzaam zijn (Wet van 17 Juni 1918 Staatsblad 403). In zekeren zin is ook de Wet van 5 Juni 1905 Staatsblad 154 inzake het onderwijzend personeel van gemeentelijke hoogere burgerscholen en dgl. onder deze groep te rangschikken. Dat personeel zal echter in den vervolge rechtstreeks op grond van de hoofdwet pensioensgerechtigd worden. Die wet zelf stelt voorts de personen werkzaam bij pensioenraad en pensioenfonds met Rijksambtenaren gelijk (artt. 14 lid 2,en 21 lid 3). Men zie ook art. 124.

•30

Sluiten