Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk boven reeds is aangeteekend, zal dit artikel de grondslag zijn waarop in den vervolge groepen die formeel niet in alle opzichten ambtenaren van Rijk, provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder zijn, onder de werking van de pensioenwet zullen kunnen worden gebracht.

Het behoeft geen betoog, dat bij het toevoegen van nieuwe groepen aan hen die ten laste van het fonds uitzicht op pensioen hebben, moet worden overwogen, op welke wijze het fonds deswege moet worden schadeloos gesteld. Men denke b.v. aan groepen, welker leeftijdsopbouw boven het normale gemiddelde zou zijn.

Artikel 7. Men zie hiervoor hetgeen bij artikel 3 is aangeteekend.

Artikel 8. Evenals thans wordt als regel, b.v. ten aanzien van de voor den ambtenaar verschuldigde bijdragen en voor de vaststelling van pensioensgrondslagen, iedere betrekking als een afzonderlijk geheel behandeld. Daarop worden echter in het ontwerp uitzonderingen gemaakt, met name ten aanzien van de bepaling der pensioensbedragen. Van daar de woorden: „tenzij het tegendeel blijkt".

In de practijk wordt echter groote moeilijkheid veroorzaakt door het feit, dat veelal nauw samenhangende werkzaamheden op formeele gronden moeten worden geacht, in twee verschillende betrekkingen te worden vervuld. Soms kan daaraan door het uitvoerend gezag wel iets worden gedaan, b.v. door een leeraar niet te benoemen aan school A en afzonderlijk aan school B, maar bij het Middelbaar Onderwijs in de gemeente. Soms -r- b.v. bij het Lager Onderwijs — levert echter de wet daarbij eenige formeele moeilijkheid op. Moeilijker wordt de oplossing echter, als het inderdaad een verschillende werkzaamheid geldt, al hangt het een met het ander'nauw samen. Men denke b.v. aan een onderwijzer, die des avonds eenige uren herhalingsonderwijs geeft. Het was voor de pensioensbepalingen stellig veel eenvoudiger, als men do wedde bij den eenen en bij den anderen arbeid kon samentellen en in één functie verkregen kon achten. Ook voor den betrokkene zou dat veelal voordeeliger zijn. Thans is die oplossing echter niet mogelijk. Om haar mogelijk te maken, is het tweede lid van artikel 8 toegevoegd. Echter moet tegen misbruik worden gewaakt. Vandaar het vereischte van goedkeuring van hooger gezag, wanneer hij, in wiens dienst de ambtenaar is, de regeling maakt.

Artikel 9. Dit artikel is van belang voor de bepalingen omtrent weduwen- en weezenpensioen.

Artikelen 10—27. Men zie hiervoor de algemeene beschouwingen in de §§ 6 en 7. Bij de uitwerking van de artikelen is de Ongevallenwet 1901 gevolgd. Immers heeft de Rijksverzekeringsbank, ten aanzien van de bijdragen en bij de toekenning en uitbetaling van rente, een taak die groote gelijkenis vertoont met die, welke voor Pensioenraad en pensioenfonds is weggelegd. Met het oog op den bestaanden toestand scheen het intusschen wenschelijk het tegenwoordige onderscheid tusschen een beleggend en uitbetalend college en een college met de overige werkzaamheden belast, te laten bestaan. Ten aanzien van de artikelen kan, naast het reeds gezegde, met een enkele aanteekening worden volstaan.

Artikel 13. Het is wenschelijk zooveel mogelijk den Pensioenraad zeggingsmacht te geven over de personen, die onder hem voor de uitvoering van de wet zullen zorg dragen. Daarom is voorgesteld dat de benoeming etc. van bepaalde groepen ambtenaren, waarby met name aan het lagere personeel is gedacht, door dien Raad zelf zal kunnen geschieden. Iets dergelijks is in artikel 21, lid 2, voor het fonds bepaald. Voor te ruime gebruikmaking van die macht zal men niet bevreesd behoeven te zijn. De beheerskosten toch, ook van den Pensioenraad, komen ten laste van het fonds en de be-

Sluiten