Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooting van het fonds wordt jaarlijks door den wetgever vastgesteld (artt. 22 en 24). Op de ontwerp-begrooting zullen dus posten wegens kosten van den Pensioenraad en van het pensioenfonds voorkomen en de wetgever zal die posten binnen de grenzen van het noodzakelijke kunnen houden.

Artikel 15. Dit artikel bepaalt in algemeene bewoordingen wat thans reeds voor verschillende groepen geldt. Men zie b.v. art.' 47 van de Pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913 en art. 74 van de wet op het Lager onderwijs, naast welke artikelen staat de bevoegdheid van art. 41 van de Burgerlijke Pensioenwet, om aan de Ministers de noodige inlichtingen te vragen, een bevoegdheid die in de practijk ook tegenover gemeentebesturen wordt aangenomen. Natuurlijk zal naast de in artikel 15 bedoelde uitnoodiging, die per aangeteekenden brief geschiedt en die eventueel door scherper maatregelen kan worden gevolgd, het verzoek om inlichtingen staan, dat bij gewonen brief kan plaats hebben. Met name waar het verzoeken aan autoriteiten geldt, zal laatstbedoelde weg worden gevolgd, terwijl de formeele weg van dit artikel slechts in bijzondere gevallen zal worden ingeslagen.

Het artikel maakt ook een oproeping voor het geven van mondelinge inlichtingen mogelijk. Dat zal wellicht nu en dan, b.v. ter bepaling van diensttijd in ingewikkelde gevallen, wenschelijk kunnen zijn. Bij den algemeenen maatregel van bestuur kan met name voor deze gevallen een vergoeding van gemaakte kosten (reis- en verblijfkosten en kosten wegens tijdverzuim) worden vastgesteld.

Artikel 16, derde lid. Deze bepaling staat in verband met het beroepsrecht tegen beslissingen van den Pensioenraad, dat den Minister in het tweede lid van artikel 116 is toegekend.

Artikel 17. Uitdrukkelijk wordt hier bepaald dat het verslag een verslag is, niet van den Minister maar van den Pensioenraad, die dus ook voor de openbaarmaking zorgt.

Artikel 26. De bepalingen omtrent de wijze waarop het kapitaal van het fonds kan worden belegd, zijn vrijwel onveranderd overgenomen van hetgeen thans geldt. (art. 21 weduwenwet voor de ambtenaren 1890 en art. 53 Pensioenwet voor de gemeentenambtenaren 1913). Die bepalingen zijn in de practijk voor een soliede en' gevarieerde belegging voldoende gebleken. Ook het sociale element schijnt genoegzaam tot zijn recht te komen, waar het geven van geld op hypotheek reeds is toegelaten — de tot nu toe geldende beperking dienaangaande zal vervallen — en trouwens in de zorg voor de volkshuisvesting, die hier met name in aanmerking zou komen, in ons land hoofdzakelijk öp andere wijze wordt voorzien.

Alleen is' onder letter k de mogelijkheid geschapen om een deel van de gelden te gebruiken voor'eigen huisvesting — wat in de practijk reeds geschiedde — en voor aankoop van onroerend goed. Voor een soliede belegging der gelden kan dat laatste van beteekenis zijn. Intusschen is het zaak, dat hier eenige controle bestaat. Vandaar de eisch van goedkeuring door den Minister van Financiën.

Artikelen 28, 30 en 81. Men zie omtrent deze artikelen hetgeen bij artikel 3 is aangeteekend. Omtrent den inhoud der aanstelling zullen, zoo noodig, regelen kunnen worden gegeven in een wet die den rechtstoestand der ambtenaren regelt. Voor de Pensioenwet moet slechts uitdrukking worden gegeven aan den eisch dat een formeel stuk aanwezig zij waaruit de voor het pensioen van belang zijnde feiten blijken.

Er werd reeds met een enkel woord op gewezen dat artikel 30 een regeling geeft om de schriftelijke aanstelling zooveel mogelijk tot zijn recht te doen komen. Hierbij wordt vertrouwd op de medewerking van de ambtenaren zelf, die door de bepaling van artikel 31 tot medewerking zullen worden geprikkeld. Het ontwerp denkt zich den gang van zaken aldus dat, nu het uitreiken van een aanstelling de regel zal worden, «

Sluiten