Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deel dezer toelichting is er reeds op gewezen, dat en waarom voor het weduwen- en weezenpensioen alleen met mannelijke ambtenaren wordt rekening gehouden.

Nu de ambtenaar zelf geen premie meer zal betalen, noch voor eigen pensioen noch voor dat van zijn weduwe en zijn weezen, rees de vraag, welk standpunt ten aanzien van wachtgelders en gepensionneerden moest worden ingenomen, die nog uitzicht hebben op pensioen voor hun na te laten betrekkingen, en deswege thans tot premiebetaling verplicht zijn. Vooral voois de, immers zooveel talrijker, groep der gepensionneerden was die vraag van belang. Zeker kan worden verdedigd, van hen wèl een bijdrage te heffen, op grond dat zij niet meer diensten aan het publiek gezag bewijzen en dus dat gezag ook niet meer voor hen behoeft op te komen. Maar dat schijnt toch een miskenning van de verhouding waarin zij tot hun vroegeren werkgever zijn gebleven en. waaraan in de laatste jaren b.v. de duurtetoeslagen op pensioenen hun aanzien hebben te danken gehad. Ook op den practischen grond dat het gerechtvaardigde ontstemming zou wekken, als de gepensionneerde wèl, de gesalarieerde, die zich dikwijls ruimer kan bewegen, niet, voor het pensioen zijner na te laten betrekkingen moest betalen, is daarom bepaald, dat ook op wachtgeld of op pensioen gestelden niets zullen hebben te betalen. Natuurlijk moet ook voor hen worden bijgedragen, wil het fonds geen schade lijden. Maar dat kan zoo eenvoudig mogelijk worden gevonden door. bij de bepaling van het percentage van heffing wegens de nog in dienst zijnde ambtenaren (artikel 37) mede rekening te houden met den last op het fonds rustende ter zake van de op pensioen of wachtgeld gestelden.

Artikelen 43 en 44. Ten aanzien van deze artikelen moge worden verwezen naar § 3 van het algemeene deel dezer toelichting.

Artikel 45. Met name bij het herhalingsonderwijs heeft het in de laatste jaren een punt van strijd uitgemaakt of hij die krachtens doorloopende aanstelling werkzaam is doch slechts een bepaald deel van het jaar werkzaamheden verricht, voor het pensioen het geheele jaar kan doen medetellen dan wel alleen dat deel waarin hij beschikbaar moet zijn tot het verrichten van werkzaamheden. De practijk heeft in laatstbedoelden zin uitspraak gedaan, uit overweging dat alleen" dan van „werkelijke dienst," kan worden gesproken, zooals b.v. artikel 15 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 als eisch stelt, maar die practijk schijnt niet geheel billijk. Het feit toch, dat de betrekking niet gedurende het geheele jaar werk geeft, heeft er uit den aard der z'aak reeds toe geleid dat de grondslag laag zal zijn. Gaat men nu bovendien slechts een deel van het jaar in rekening brengen, dan wordt dezelfde voor de belanghebbenden nadeelige factor tweemaal in rekening gebracht. Bovendien is het onderscheid, in dit opzicht, tusschen den onderwjijzer bij het herhalingsonderwijs die slechts 8 maanden les geeft en b.v. den hoogleeraar die slechts een deel van het jaar college heeft te geven, misschien in theorie te construeeren, maar dan toch wel louter formeel aanwezig. Daarom scheen het wenschelijk, door een uitdrukkelijke bepaling boven twijfel te stellen, dat de ambtenaar in de bij artikel 45 bedoelde gevallen geacht wordt, het geheele jaar werkelijk te hebben gediend.

Artikel 46. Men zie bladz. 11 en 12 van het algemeene deel dezer toelichting.

Artikelen 47 en 48. Uit de kringen der belanghebbenden is herhaaldelijk de wensch naar voren gekomen, voor het geval van ziekte gunstige bepalingen te maken. Het is inderdaad hard dat hn' die langdurig ziek was, daarvan nog in zijn pensioen de nadeelen zal ondervinden, waarbij vooral is te bedenken dat juist een invaliditeitspensioen veelal door perioden van langdurige ziekte zal zijn voorafgegaan. De regeling van het ontwerp is dan ook gunstig voor het geval van ziekte. In de

Sluiten