Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meene maximum dat in een gefixeerd bedrag bestaat, moet op andere wijze herstel worden gezocht.

Met de artikelen 52, lid 2, 57, 58, 60 en 61 houdt artikel 50 het systeem der pensioensberekening in de onderscheidene gevallen in. Voor een uiteenzetting van dat systeem wordt verwezen naar § 4 van het algemeene deel dezer toélichting.

Daarnaast kan een toelichting van ieder dier artikelen op zich zelf overbodig worden geacht.

Artikel 52. Het pensioensbedrag zal volgens het ontwerp, evenals thans,•afhangen van wedde en diensttijd. Met dit laatste element houden de artikelen 52—56 zich bezig. Artikel 52 is het meest beteekenende op dit punt.

'Het bepaalt, dat voor het pensioen zal medetellen de tijd, boven den leeftijd van 18 jaar als „ambtenaar" doorgebracht en wel onverschillig of die tijd valt vóór of na het inwerking treden van de nieuwe wet. Voor den tijd na dat in werking treden spreekt die bepaling vanzelf, maar het is ook rationeel, nu men eenmaal bepaalde kenmerken vaststelt voor hen, die pensioensgerechtigd zullen zijn, dat men diezelfde kenmerken ook voor het verleden als voldoende aanvaardt. Echter is één beperking noodig, n.1. dat, voorzoo veel ten opzichte van de geldigheid -voor pensioen aan bepaalde jaren bijzondere eischen zijn gesteld, aan die eischen is voldaan. Dat ziet met name op de inkoopbepalingen, die thans b.v. ook voor tijdelijken dienst gelden. Tijdelijke dienst, vóór de nieuwe wet vervuld, zal in het algemeen dus niet mede in aanmerking komen, dan wanneer hij is ingekocht. Dat laatste geldt ook voor jaren, na het in werking treden van de nieuwe wet vallende, die in onbezoldigden of in zijdelingschen, dienst zijn doorgebracht en op grond van artikel 40 vatbaar zijn voor inkoop. Wat onbezoldigden dienst betreft, bestaat die vatbaarheid alleen dan, als hij, ware hij bezoldigd geweest, uitzicht op pensioen had medegebracht en hij onmiddellijk gevolgd wordt door dienst als „ambtenaar", waarop de onbezoldigde diensttijd recht geeft. En wat de zijdelingsche diensten betreft — het begrip daarvan wordt uitgebreid. Niet meer wordt daaronder, zooals in de bestaande wetgeving, slechts zijdelingsche Rijks dienst verstaan. Ook zijdelingsche dienst b.v. bij een gemeente, wordt' voor inkoop vatbaar verklaard, al zal dan vermoedelijk dergelijke dienst daar veel minder voorkomen dan bij het Rijk. Wél echter is behouder? de geldende regeling, in zoover alleen bepaalde met name genoemde betrekkingen kunnen worden ingekocht. Een algemeene definitie toch van zijdelingschen dienst, die eenerzijds al het noodige omvat en anderzijds niet eigenlijk particuliere betrekkingen doet mederekenen, is niet met zoodanige scherpte te formuleeren, dat de practijk daaraan een voldoende houvast zou hebben.

De zijdelingsche dienst zal alleen dan kunnen mederekenen, als hij ten minste twee jaren achtereen heeft geduurd of — heeft hij dat niet' — als hij onmiddellijk, althans zonder wezenlijke onderbreking, door diensttijd als ambtenaar is gevolgd. Zonder wezenlijke onderbreking — deze term is gekozen opdat voldoende vrijheid besta om een korte onderbreking, die in het wezen geen tusschen ruimte schept, te kunnen veronachtzamen. De practijk der beslissende organen zal hier den weg moeten wijzen.

Dat alleen de jaren boven den leeftijd van 18 jaar kunnen medetellen, is in overeenstemming met de geldende wet. Eveneens overeenkomstig die wetgeving — men zie artikel 14 van de Burgerlijke Pensioenwet en artikel 15 van de wet van 1913 — is het, dat onder B van artikel 52 eenige betrekkingen zijn opgesomd, waarvoor een afzonderlijke pensioenregeling bestaat, maar die —- behoudens het bepaalde in artikel 55 —voor het pensioen als „ambtenaar" zullen medetellen.

Dit artikel bepaalt onder C, dat de tijd, op wachtgeld doorgebracht, als voor pensioengeldige tijd zal medetellen. Dat is billijk, waar het op wachtgeldstellen in den regel slechts een onvrijwillige onderbreking van den diensttijd beduidt. Volgens artikel 34 zal over die periode de oude grondslag behouden blijven.

Sluiten